Indien de belanghebbende zich in de periode voorafgaand aan de aanvraag en van de aanvraag tot de ingangdatum van de uitkering onvoldoende inzet voor de bestaansvoorziening als bedoeld in artikel 20, eerste lid van de IOAZ, verlaagt het college, onverminderd het bepaalde in artikel 3:
bij het op verwijtbare wijze beëindigen van bedrijf of beroep, dat leidt tot een eerder of langer beroep op een uitkering dan redelijkerwijs nodig geweest zou zijn: de grondslag met 100% gedurende een maand;
bij het op verwijtbare wijze aanwenden of vervreemden van vermogensbestanddelen, die leidt tot een lager of geen in aanmerking te nemen vermogen als bedoeld in artikel 8, tweede lid van de IOAZ dan redelijkerwijs nodig geweest zou zijn op de datum van de feitelijke beëindiging van het bedrijf of beroep:
bij een aangewend of vervreemd bedrag tot € 10.000,00: de grondslag met 20% gedurende een maand;
bij een aangewend of vervreemd bedrag vanaf € 10.000,00 tot € 20.000,00: de grondslag met 20% gedurende drie maanden;
bij een aangewend of vervreemd bedrag vanaf 20.000,00 tot € 30.000,00: de grondslag met 20% gedurende zes maanden;
bij een aangewend of vervreemd bedrag van € 30.000,00 of hoger: 20% van de grondslag gedurende twaalf maanden.
HOOFDSTUK 4
Artikel 12
Maatregel IOAZ onvoldoende inzet voor de zelfstandige bestaansvoorziening
Onderdeel van MAATREGELVERORDENING IOAW/IOAZ 2012 GEMEENTE OEGSTGEEST