Lid 1
De persoon met beperkingen die in aanmerking wordt gebracht voor een individuele voorziening in natura of in de vorm van een persoonsgebonden budget is een eigen bijdrage verschuldigd, tenzij anders is bepaald in deze verordening.
Lid 2
De hoogte van de eigen bijdrage wordt berekend overeenkomstig het bepaalde in artikel 4.1 lid 1 van het Besluit maatschappelijke ondersteuning (staatsblad 2006, 450), waarbij de maximale grenzen worden gehanteerd.
Lid 3
Indien de voorziening bestaat uit een vergoeding van de kosten van onderhoud en reparatie van een in bruikleen verstrekte voorziening kan gedurende maximaal 13 perioden van vier weken een eigen bijdrage in rekening worden gebracht.
Lid 4
Het bedrag dat in zijn totaal aan eigen bijdrage wordt gevraagd is nooit hoger dan de door de gemeente gemaakte kosten voor de voorziening.
Lid 5
Indien de voorziening in de vorm van een persoonsgebonden budget wordt verleend wordt de eigen bijdrage opgelegd nadat de voorziening is verleend.
Hoofdstuk 4.
Artikel 22.
De eigen bijdrage
Onderdeel van Verordening maatschappelijke ondersteuning 2013