Naar hoofdinhoud

Hoofdstuk

Artikel 4:8

Verhuis- en (her)inrichtingskosten

Onderdeel van Verordening individuele verstrekkingen in het kader van maatschappelijke ondersteuning

Het college kan een persoonsgebonden budget in de verhuis- en (her-) inrichtingskosten als bedoeld in artikel 4:2 onder a, toekennen wanneer de aanvrager verhuist van een niet-adequate woning naar een adequate woning en indien voldaan wordt aan de volgende voorwaarden: in het te verlaten hoofdverblijf worden plotselinge en onvoorzienbare belemmeringen ondervonden bij het normale gebruik van de woning; er is sprake van een onverwacht optredende noodzaak; op het moment van aanvragen van de woonvoorziening was op basis van leeftijd, gezinssituatie of woonsituatie niet te voorzien dat deze voorziening noodzakelijk zou zijn; de verhuizing heeft niet plaatsgevonden voordat burgemeester en wethouders op de aanvraag hebben beschikt, tenzij zij daar schriftelijk toestemming voor hebben gegeven; de aanvrager gaat niet voor het eerst zelfstandig wonen, is niet verhuisd vanuit of naar een woonruime die niet geschikt is het gehele jaar door bewoond te worden, en is niet verhuisd naar een AWBZ-gefinancierde instelling of een andere instelling gericht op het verstrekken van zorg; de verhuizing vindt plaats binnen een termijn van zes maanden nadat het college op de aanvraag heeft beschikt. In bijzondere gevallen kan het college de termijn verlengen; de tegemoetkoming in de verhuiskosten wordt binnen zes weken nadat het college een bericht van verhuizing door de cliënt heeft ontvangen (melding GBA) uitbetaald, en na ontvangst van een kopie van de huur- c.q. eigendomsakte. In afwijking van het eerste lid kan het college een voorziening als bedoeld in artikel 4:2, onder a, verlenen aan een persoon, die op verzoek van de gemeente, ten behoeve van een persoon met beperkingen de woning ontruimt.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel