Het college verleent in geval van huurbeëindiging van een aangepaste woning, die voor meer dan het bedrag zoals vastgesteld in het uitvoeringsbesluit is aangepast, op aanvraag een voorziening als bedoeld in artikel 4:1, onderdeel b of c, aan de eigenaar van de woning in verband met derving van huurinkomsten voor de duur van maximaal vijf maanden, gerekend vanaf de tweede maand van huurderving. De eerste maand van huurderving komt niet voor een vergoeding in aanmerking.
Indien een woning ten gevolge van het realiseren van een woningaanpassing voor een nieuwe bewoner leeg staat, verleent het college op aanvraag een voorziening als bedoeld in artikel 4:1, onderdeel b of c, aan de eigenaar van de woonruimte voor de duur van maximaal zes maanden. Deze voorziening is gelijk aan de kale huur van de woonruimte en bedraagt ten hoogste de maximum huurgrens van de Huursubsidiewet.
Hoofdstuk
Artikel 4:14
Huurderving
Onderdeel van Verordening individuele verstrekkingen in het kader van maatschappelijke ondersteuning