Naar hoofdinhoud

Hoofdstuk

Artikel 4:19

Gronden voor weigering van een woonvoorziening

Onderdeel van Verordening individuele verstrekkingen in het kader van maatschappelijke ondersteuning

Het college weigert de gevraagde voorziening: indien met de werkzaamheden, waarop een persoonsgebonden budget voor een woningaanpassing betrekking heeft, een aanvang is gemaakt voordat het college een positieve beslissing heeft genomen op de aanvraag; indien de door het college aangewezen personen geen gelegenheid is geboden de woonruimte, waar de woningaanpassing zal worden verricht, te betreden; indien de onder b genoemde personen geen inzicht wordt geboden in bescheiden en tekeningen welke betrekking hebben op de woningaanpassing; indien de onder b genoemde personen geen gelegenheid is geboden tot het na afloop van de werkzaamheden controleren van de woningaanpassing; indien de beperking of het probleem niet in de woning (waaronder begrepen ook de toegankelijkheid van de woning) wordt ondervonden; indien de aanvraag verband houdt met een verhuizing en de persoon met een beperking verhuist vanuit een woning waarin en waaromheen hij in staat is zich te verplaatsen, tenzij er een belangrijke reden voor de verhuizing bestaat; indien de aanvraag verband houdt met een verhuizing en de persoon met een beperking niet verhuist naar de voor hem op dat moment meest geschikte woning, tenzij het college schriftelijk toestemming heeft verleend voor de verhuizing; indien de aanvraag verband houdt met een verhuizing en de persoon met een beperking verhuist vanuit en naar een woning die niet geschikt is om het hele jaar door bewoond te worden; indien de aanvraag verband houdt met een verhuizing en de persoon met een beperking verhuist naar een AWBZ-instelling; indien de kosten van de voorziening gelijk zijn aan of meer bedragen dan € 45.378,00, tenzij weigering van die voorziening gelet op de aard van het belang dat de wetbeoogt te beschermen zou leiden tot onbillijkheden van overwegende aard.

Rechtspraak bij dit artikel