De norm bedoeld in artikel 21, onderdeel c van de wet, wordt lager vastgesteld indien de gehuwden lagere algemeen noodzakelijke kosten van het bestaan hebben dan waarin de landelijke bijstandsnorm voorziet, als gevolg van het geheel of gedeeltelijk kunnen delen van deze kosten met een ander.
De verlaging bedoeld in het eerste lid bedraagt 10 % van het netto minimumloon.
3. Het eerste lid vindt geen toepassing gedurende een maximale termijn van 2 maanden indien de gehuwden tengevolge van een tijdelijke onvoorziene noodsituatie de woning delen met een ander.
Het eerste lid vindt geen toepassing indien de gehuwden de woning delen met een ander omdat die ander of een van de echtelieden verzorgingsbehoeftig is en anderszins zou zijn aangewezen op intramurale zorg.
Het eerste lid vindt geen toepassing indien de gehuwden de woning delen met uitsluitend eigen, stief- of pleegkinderen jonger dan 21 jaar of uitsluitend met eigen, stief- of pleegkinderen van 21 jaar of ouder met een in aanmerking te nemen inkomen van ten hoogste het normbedrag voor de kosten van levensonderhoud voor hoger onderwijs, genoemd in artikel 3.18 van de Wet studiefinanciering 2000, of met uitsluitend eigen, stief- of pleegkinderen van 21 jaar of ouder met een studiebeurs ingevolge de Wet studiefinanciering 2000 dan wel een tegemoetkoming in de onderwijsbijdrage en schoolkosten op grond van de Wet tegemoetkoming onderwijsbijdrage en schoolkosten.
Het eerste lid vindt geen toepassing indien de gehuwden krachtens een commerciële overeenkomst als onderhuurders, kostgangers of kamerhuurders een marktconforme onderhuurprijs, marktconform kostgeld of marktconforme kamerhuurprijs betalen.
Verlagingen norm woonsituatie