Het college wijst de groepen inburgeringsplichtigen en vrijwillige inburgeraars aan waaraan bij voorrang een inburgeringsvoorziening of taalkennisvoorziening kan worden aangeboden op basis van de volgende criteria:
de sociaal- economische positie van persoon of gezin;
de positie van de inburgeraar binnen het gezin, de leefomgeving of het samenlevingsverband;
de directe woon- en leefomgeving;
het opleidingsniveau;
de persoonlijke capaciteiten en mogelijkheden van de inburgeraar om zelf een inburgeringsvoorziening of taalkennisvoorziening te verwerven;
het behoren tot de doelgroepen die vermeld worden in de Participatienota;
het volgen van een beroepsopleiding mbo-I of mbo-II en waarbij de inburgeraar vanwege een taalachterstand de school voortijdig zonder diploma dreigt te verlaten.
De taalkennisvoorziening heeft primaat boven een reguliere inburgeringsvoorziening in het geval er sprake is van het volgen van een beroepsopleiding mbo-I of mbo-II.
Het college kan besluiten geen aanbod te doen aan de vrijwillige inburgeraar:
die beschikt over een inkomen van meer dan anderhalf maal de op hem van toepassing zijnde bijstandsnorm als genoemd in paragraaf 3.2 en de verhoging of verlaging als genoemd in paragraaf 3.3 van de Wet werk en bijstand (WWB) en een vermogen dat gelegen is boven het bescheiden vrij te laten vermogen als genoemd in artikel 34, derde lid, van de WWB;
ten aanzien van wie op grond van signalen blijkt of redelijkerwijs kan worden vermoed:
dat hij kennelijk feitelijk niet in Nederland zijn woonstede heeft of verblijft;
dat hij binnen 12 maanden na het inburgeringsgesprek uit Nederland vertrekt;
dat hij de inburgeringsvoorziening of taalkennisvoorziening niet zal afronden.
Hoofdstuk
Artikel 3
Aanwijzen van de doelgroepen
Onderdeel van Verordening Wet inburgering 2010 gemeente Pijnacker-Nootdorp