Een persoon als bedoeld in artikel 1, eerste lid, sub g, onderdeel 4, 5 en 6, van de Wet en in artikel 1.1. onder d van deze Verordening kan voor de in artikel 4.1, sub a, genoemde voorziening in aanmerking worden gebracht indien:
aantoonbare beperkingen op grond van ziekte of functiebeperking of
problemen bij het uitvoeren van de mantelzorghet zelf uitvoeren van een of meer uishoudelijke taken onmogelijk maken en de algemene hulp bij het huishouden dit snel en adequaat kan oplossen.
Een persoon als bedoeld in artikel 1, eerste lid, sub g, onderdeel 4, 5 en 6, van de Wet en in artikel 1.1. onder d van deze Verordening kan voor de in artikel 4.1, sub b en c, genoemde voorzieningen in aanmerking worden gebracht indien de in artikel 4.1, sub a, genoemde voorziening
een onvoldoende oplossing biedt of
niet beschikbaar is.