Voor de schending van de in artikel 9 bedoelde medewerkingsplicht is een vast percentage genoemd. Dit neemt niet weg dat ook hier de maatregel dient te worden afgestemd op de ernst van de gedraging, de mate waarin de belanghebbende de gedraging kan worden verweten en de omstandigheden waarin hij verkeert.
E.Hoofdstuk 4: Overige gedragingen
Artikel 11: Tekortschietend besef van verantwoordelijkheid
Lid 1
Het betonen van tekortschietend besef van verantwoordelijkheid heeft direct gevolgen voor het recht op, de hoogte of de duur van de aanspraak op bijstand. Een tekortschietend besef van verantwoordelijkheid kan uit allerlei gedragingen blijken, zoals geen of te laat een aanvraag doen voor een voorliggende voorziening, het niet nakomen van de verplichting tot instellen alimentatievordering, het niet verzekerd zijn of het onverantwoord interen van vermogen.
Bij onverantwoord interen van vermogen ligt het op grond van de jurisprudentie primair op de weg van de belanghebbende om controleerbare bewijsstukken te overleggen met betrekking tot het interen op een (fors) vermogen. Belanghebbende dient voldoende inzicht te verschaffen omtrent de wijze waarop het vermogen is aangewend. Indien hij dit niet kan, bijvoorbeeld omdat niet over bedoelde documenten wordt beschikt, behoort dit tot het risico van belanghebbende. Het recht op bijstand kan dan niet worden vastgesteld en op de aanvraag moet afwijzend worden beslist.
Lid 2
Er is gekozen voor een vast kortingspercentage op de bijstand van 20%; de ernst van de gedraging komt tot uitdrukking in de duur van de maatregel. Velerlei gedragingen kunnen aangemerkt worden als ongenoegzaam besef van verantwoordelijkheid. Het betreffen hier richtlijnen. Dit betekent dat het percentage van de maatregel ook hoger of lager en de duur korter of langer vastgesteld kan worden. Ook is het mogelijk om gelet op de ernst van de gedraging onder toepassing van artikel 48, tweede lid van de wet bijstand toe te kennen in de vorm van een geldlening.
Lid 3
Dit lid doelt vooral op situaties waarbij een belanghebbende een beroep doet op (incidentele) bijzondere bijstand, terwijl sprake is van tekortschietend besef van verantwoordelijkheid.
Een voorbeeld hiervan is wanneer een belanghebbende heeft nagelaten een voor zijn (gezins)-situatie passende ziektekostenverzekering af te sluiten.
De nieuwe Zorgverzekeringswet kent een verplichting voor het sluiten van een basisverzekering. Wie niet verzekerd is, riskeert een forse boete. Mocht een belanghebbende desalniettemin onverzekerd zijn en vervolgens vanwege ziektekosten een beroep doen op bijzondere bijstand, dan moet het onverzekerd zijn worden beschouwd als tekortschietend besef van verantwoordelijkheid. Onverminderd het bepaalde in artikel 2, tweede lid, bestaat de maatregel dan uit het weigeren van de bijzondere bijstand (er is dan in feite sprake van een maatregel van 100 procent).
Lid 4
Een bijzondere vorm van tekortschietend besef van verantwoordelijkheid is het “door eigen toedoen niet behouden van algemeen geaccepteerde arbeid”.
Het gaat hier onder meer om verwijtbaar ontslag, bijvoorbeeld een ontslag op staande voet wegens diefstal of werkweigering.
In deze gevallen wordt een eventuele aanvraag WW vrijwel zonder uitzondering geweigerd. Dit betekent echter niet dat de Sociale dienst de constatering van het UWV dat er sprake is van verwijtbaarheid zonder meer kan overnemen. Vanuit zorgvuldigheidsoogpunt zal er zelf enig onderzoek moeten plaatsvinden. Daarbij moet met name worden gedacht aan het beginsel van hoor en wederhoor. Levert dit onderzoek gerede twijfel over de verwijtbaarheid op en is bezwaar tegen de weigering van de WW-uitkering ingesteld dan wordt de beslissing hiervan afgewacht. Komt hieruit naar voren dat het ontslag niet verwijtbaar is dan kan er in het kader van de WWB ook geen sprake zijn van verwijtbaarheid. Wordt het primaire besluit van het UWV in bezwaar gehandhaafd dan kan van de zijde van de Sociale Dienst alsnog een maatregel volgen.
Is na eigen onderzoek (eveneens) geen twijfel over de verwijtbaarheid dan kan de betreffende maatregel worden opgelegd (let op afstemming artikel 2, tweede lid).
Als de belanghebbende geen bezwaar aantekent tegen de primaire beslissing van het UWV en vervolgens een bijstanduitkering aanvraagt, dan zal de Sociale Dienst natuurlijk ook zelf moeten onderzoeken of het ontslag verwijtbaar is. En ook nu speelt hoor en wederhoor een belangrijke rol. Blijkt dat het ontslag verwijtbaar is dan volgt, onverminderd het bepaalde in artikel 2, tweede lid, de betreffende maatregel.
Omdat het in casu gaat om een gedraging die toch een zekere samenhang laat zien met de gedragingen die in artikel 6 zijn gerangschikt (het niet of onvoldoende meewerken aan het verkrijgen en aanvaarden van arbeid), wordt de daarmee verbonden sanctionering van artikel 7 overeenkomstig toegepast.
Bovendien past de standaard sanctiemethodiek met betrekking tot gedragingen die in het algemeen vallen onder het begrip “tekortschietend besef van verantwoordelijkheid” zoals verwoord in artikel 11, eerst lid, niet bij de specifieke gedraging genoemd in het vierde lid.
Tenslotte kan nog worden opgemerkt dat het door eigen toedoen niet behouden van een gesubsidieerde baan eveneens kan worden aangemerkt als een tekortschietend besef van verantwoordelijkheid zoals hier in het vierde lid is bedoeld.
Lid 5
Recidiveboete
Met de Wet aanscherping handhaving en sanctiebeleid SZW-wetgeving is ook het sanctieregime in de overige sociale zekerheidswetten aangescherpt. In wezen wordt een vergelijkbaar boeteregime ingevoerd (boete ter hoogte van de te veel ontvangen uitkering en bij recidive 150% daarvan) zij het dat de uitvoeringsorganisaties (UWV, SVB en Gemeente, voor wat betreft de IOAW en IOAZ) het uitstaande boetebedrag voor een termijn van vijf jaren in beginsel dienen te verrekenen zonder rekening te houden met de beslagvrije voet. Dit houdt in dat belanghebbenden zodra de verrekening wordt geeffectueerd in beginsel geen beschikking hebben over hun uitkering en indien andere middelen ontbreken, zullen zij dan een beroep moeten doen op de bijstand.
In beginsel wordt het feit dat het recht op een passende en toereikende voorliggende voorzien teloor is gegaan, aangemerkt als tekortschietend besef van verantwoordelijkheid. Een en ander levert daarom maatregelwaardig gedrag op, op basis waarvan de bijstand kan worden verlaagd. De huidige afstemmingsverordening mist echter een bepaling die volledig is toegesneden op deze situatie. Het hier voorgestelde artikel wil in die leemte voorzien. Het artikel is daarbij zo geredigeerd dat belanghebbende in beginsel in een feitelijk met de recidiverende bijstandsgerechtigde vergelijkbare situatie terecht komt. Hetgeen inhoudt dat ook aan hem in beginsel drie maanden vanaf datum effectuering verrekening geen bijstand toekomt. Het staat hem daarbij wel vrij om - gelijk de recidiverende bijstandsgerechtigde - een verzoek te doen tot doorbetaling van de vaste lasten (tweede lid). Specifiek is de effectuering van de verrekening en niet de datum van oplegging van de boete gekozen als startpunt van de drie maandentermijn. Een en ander houdt verband met het feit dat de verrekeningstermijn in deze vijf jaren bedraagt. Ook wanneer de boete wordt opgelegd op een tijdstip dat hij niet afhankelijk is van enige uitkering is de kans dat hij vanwege de verrekening op een bepaald moment rechten niet te gelde kan maken reëel.
Opgemerkt zij nog dat de bepaling (zie artikel 16) in welke situaties worden benoemd op basis waarvan de verrekening enkel met in achtname van de beslagvrije voet wordt toegepast, niet van overeenkomstige toepassing is verklaard. Dit houdt verband met het feit dat het hier niet om verrekenen maar om het verlagen van de bijstand gaat. Bij verlaging van de bijstand is artikel 18, eerste lid, van de Wet werk en bijstand van toepassing. Dat houdt in dat de verlaging zal moeten worden afgestemd op de omstandigheden, mogelijkheden en middelen van belanghebbende. In dat kader kan ook rekening worden gehouden met situaties die om een beperktere verlaging vragen.
Lid 6
In gevallen waarin er geen benadelingsperiode kan worden vastgesteld, geldt er een maatregel van 20% van de bijstandsnorm gedurende een maand. Met name bij de bijstandsverlening aan zelfstandigen en de daarbij behorende bijzondere verplichtingen kan zich zo’n specifieke situatie voordoen.
Artikel 12: Zeer ernstige misdragingen
Een gedraging die in de wet omschreven staat en die een schending van de medewerkingsplicht betekent, is het zich jegens het college zeer ernstig misdragen. Onder de term ‘zeer ernstige misdragingen’ kunnen diverse vormen van agressie worden verstaan, waarbij sprake is van gedrag dat in het normale menselijke verkeer in alle gevallen als onacceptabel kan worden beschouwd. In de verordening is aangegeven dat agressief gedrag van een bijstandsgerechtigde aanleiding vormt voor het opleggen van een maatregel. Een nadere uitwerking van wat onder “het zeer ernstig misdragen” kan worden verstaan, vindt plaats in het zogenoemde Agressieprotocol. Hier wordt volstaan met de vermelding dat het moet gaan om ernstige misdragingen tegenover medewerkers van de gemeente en medewerkers van andere organisaties die belast zijn met de uitvoering van de WWB, onder omstandigheden die rechtstreeks verband houden met de uitvoering van deze wet.
Het doen van aangifte van een strafbaar feit is geen voorwaarde voor het opleggen van een maatregel wegens vernieling, bedreiging, belaging of mishandeling. Of aangifte wordt gedaan conform het agressieprotocol staat dus los van het opleggen van een maatregel. Ook een veroordeling door de strafrechter is geen voorwaarde voor toepassing van deze bepaling. Een maatregel vanwege een ernstige misdraging is niet bedoeld om de eventueel door die misdraging veroorzaakte schade te vergoeden.
Artikel 13: Noodzakelijke betalingen en bijstand in natura
Dit artikel geeft het college de bevoegdheid om nadere beleidsregels te stellen ten aanzien van de verplichtingen mee te werken aan het doorbetalen van noodzakelijke betalingen uit de uitkering en het accepteren dat de bijstand in natura wordt verstrekt.
N.B. Voor de toepassing van het Bbz wordt verwezen naar de algemene toelichting onder de kop “relatie met het Bbz”.
F.Hoofdstuk 5: Verrekening bestuurlijke boete bij recidive
Er is een apart hoofdstuk ingevoegd inzake de verrekeningsbevoegdheid. De bedoeling van hiervan is de verrekeningsbevoegdheid te kunnen onderscheiden van de mogelijkheid om bij schending over te gaan tot het opleggen van een maatregel. De verrekingsbevoegdheid maakt onderdeel uit van de Afstemmingsverordening om te voorkomen dat weer een nieuwe verordening wordt toegevoegd aan het al brede palet van de bijstandsverordeningen.
Hoofdstuk
Artikel 10:
De hoogte en duur van de maatregel
Onderdeel van Afstemmingsverordening WWB 2013