Ter zake van vaartuigen met een vaste ligplaats wordt, indien een belastingplichtige als bedoeld in artikel 3, eerste lid, is aangewezen:
het aantal personen die verblijf hebben gehouden, bepaald op:
- 3,7, bij een vaartuig met een lengte van meer dan 12 meter;
- 2,1, bij een vaartuig met een lengte van 4 tot en met 7 meter;
- 2,6, bij een vaartuig met een lengte van meer dan 7, doch ten hoogste 9 meter;
- 2,6, bij een vaartuig met een lengte van meer dan 9, doch ten hoogste 12 meter;
het aantal etmalen dat door de onder a bedoelde personen verblijf is gehouden, bepaald op:
- 15,4 bij een vaartuig met een lengte van 4 tot 7 meter;
- 19,2 bij een vaartuig met een lengte van meer dan 7, doch ten hoogste 9 meter;
- 18,7 bij een vaartuig met een lengte van meer dan 9, doch ten hoogste 12 meter;
- 20,1 bij een vaartuig met een lengte van meer dan 12 meter;
Het aantal vaartuigen als bedoeld in het eerste lid, wordt vastgesteld op het aantal vaartuigen welke door de belastingplichtige bij aangifte uit de verhuuradministratie zijn opgegeven, dan wel blijken.
Artikel 6
Forfaitaire berekeningswijze van heffing
Onderdeel van Verordening op de heffing en invordering van watertoeristenbelasting Schouwen-Duiveland 2013