Naar hoofdinhoud
1.. De commissie bestaat uit een oneven aantal leden, minimaal 5 leden en maximaal 7 leden. 2.. Bij oprichting van de bestuurscommissie worden de leden van de commissie benoemd door de raad op de volgende wijze: twee leden (drie) op voordracht van de benoemingsadviescommissie gemeenschappelijke medezeggenschapsraad. drie leden (vier) op voordracht van de benoemingsadviescommissie van het bestuur als bedoeld in de benoemingsprocedure leden bestuurscommissie. 3.. De leden van de commissie onderschrijven de wezenskenmerken van het openbaar onderwijs als bedoeld in artikel 46 Wpo. 4.. De commissie stelt bij reglement een procedure vast voor de voordracht als bedoeld in het voorgaande lid en zendt dit reglement ter kennisgeving aan de raad. 5.. Personen die werkzaam zijn op één van de scholen die door de commissie bestuurd worden, kunnen geen lid van de commissie zijn. 6.. Personen die lid zijn van de raad kunnen geen lid zijn van de commissie. 7.. Personen die beroepshalve ter ondersteuning werkzaamheden verrichten voor de commissie kunnen geen lid van de commissie zijn. 8.. Het lidmaatschap van de commissie is onverenigbaar met het lidmaatschap van de (G)MR van de commissie. 9.. Een lid van de commissie mag niet: als advocaat, procureur, gemachtigde of adviseur in geschillen werkzaam zijn ten behoeve van de commissie dan wel ten behoeve van de wederpartij van de commissie; als gemachtigde of als adviseur werkzaam zijn ten behoeve van derden tot het aangaan van collectieve arbeidsovereenkomsten met de commissie of in die hoedanigheid deelnemen aan het Decentraal Georganiseerd Overleg; als gemachtigde of als adviseur werkzaam zijn ten behoeve van derden tot het aangaan van overeenkomsten met de commissie als bedoeld in onderdeel d; rechtstreeks of onmiddellijk een overeenkomst aangaan betreffende: het aannemen van werk ten behoeve van de commissie; het buiten dienstbetrekking tegen beloning verrichten van werkzaamheden ten behoeve van de commissie; het doen van leveranties aan de commissie; het verhuren van roerende en onroerende zaken aan de commissie; het verwerven van betwiste vorderingen ten laste van de commissie; het van de commissie onderhands verwerven van onroerende zaken of beperkte rechten waaraan deze zijn onderworpen; het onderhands huren van de commissie.

Rechtspraak bij dit artikel