**5.1..** Een bestuurder onthoudt zich van beledigingen, laster en leugens.
**5.2..** Een bestuurder tast de persoonlijke integriteit van leden van het college, raad en ambtelijke organisatie niet onbewezen aan.
**5.3..** Een bestuurder draaft er zorg voor dat de toonzetting van de beweringen niet geschiedt in persoonlijk grievende woorden.
**5.4..** Naderhand onjuist gebleken beweringen worden door de bestuurder publiekelijk gerectificeerd.
**5.5..** In openbare vergaderingen wordt met elkaar in de beleefdheidsvorm gesproken.