Naar hoofdinhoud
1.. Voor zover de daartoe bestemde ruimte op de begraafplaats dat toelaat, kan het college op schriftelijke aanvraag, de volgende uitsluitende rechten verlenen: Voor een termijn van twintig jaren: het recht op een eigen graf; het recht op een eigen urnengraf; het recht op een gedenkplaat op de gedenkmuur; voor een termijn van vijf jaren: het recht op een eigen urnennis in de urnenmuur of element in het columbarium; De termijnen beginnen te lopen op de datum waarop de rechten worden uitgegeven. 2.. Het in het eerste lid van dit artikel onder a. bedoelde recht wordt op aanvraag van de rechthebbende verlengd, telkens met een termijn van tien jaren, mits de aanvraag vóór het verstrijken van de lopende termijn door de rechthebbende wordt ingediend. 3.. Het in het eerste lid van dit artikel onder b. bedoelde recht wordt op aanvraag van de rechthebbende verlengd, telkens met een termijn van vijf jaren, mits de aanvraag voor het verstrijken van de lopende termijn wordt ingediend. 4.. De in lid twee en drie bedoelde verlenging dient te worden aangevraagd door de rechthebbende of, indien deze is overleden, door één van de in artikel 29, eerste lid (Overschrijving verleende rechten), bedoelde personen. 5.. Een recht als in dit artikel bedoeld, kan slechts aan één rechthebbende worden verleend ten behoeve van zichzelf en voor de personen genoemd in artikel 29, eerste lid (Overschrijving verleende rechten). Verlening van het recht ten behoeve van een ander is slechts mogelijk, indien daarvoor gewichtige redenen bestaan. 6.. Het grafrecht op een eigen graf geeft de rechthebbende zeggenschap over wie in dat graf wordt begraven en begraven wordt gehouden, onder de voorwaarden en de beperkingen van deze verordening en de daarop gebaseerde nadere regels. 7.. Het in lid 1 bedoelde grafrecht wordt door het college schriftelijk bevestigd door middel van een grafakte.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel