1.. De bevoegdheden ingevolge de hierna genoemde artikelen van de Awb worden voor de toepassing van deze verordening uitgeoefend door de voorzitter van de commissie:

2.. De bevoegdheden van de voorzitter zoals genoemd in het eerste lid en de artikelen 8, 12 derde lid, en 14 kunnen, ingeval het horen met toepassing van artikel 7:13, derde lid van de Awb geschiedt door één lid van de commissie, door dat lid worden uitgeoefend.