Deze verordening verstaat onder:
Monument(monumentenwet 1988, artikel 1 lid b):
onroerende zaak die van algemeen belang is wegens zijn schoonheid, betekenis voor de wetenschap of cultuurhistorische waarde;
terrein dat van algemeen belang is wegens een daar aanwezige zaak als bedoeld onder 1.1.
Archeologisch verwachtingsgebied of -terrein: gebied of terrein dat in overeenstemming met de bepalingen van deze verordening is aangewezen vanwege zijn betekenis voor de gemeentelijke archeologische monumentenzorg en als zodanig geregistreerd is op de gemeentelijke archeologische beleidskaart.
Bodemarchief: alle informatie die in de bodem ligt opgeslagen en daarin terecht is gekomen door activiteiten van mensen en door natuurlijke processen.
Gemeentelijke archeologische beleidskaart: kaart met een ruimtelijke presentatie van de gemeentelijke archeologische verwachtingsgebieden, de in het verleden vastgestelde waarden en het te voeren beleid, vastgesteld door de bevoegde overheid.
AMK: Archeologische Monumentenkaart. De Archeologische Monumentenkaart is een gezamenlijk product van de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed te Amersfoort en de provincies.
AMZ-proces: Archeologische Monumentenzorg, de ruimtelijke procedure voor archeologisch onderzoek die gekoppeld is aan de wet op de Archeologische Monumentenzorg 2007;v
Wettelijk beschermd archeologisch Rijksmonument: archeologisch terrein dat ex artikel 3 van de Monumentenwet als beschermd monument is aangewezen. Deze gebieden vallen buiten de bevoegdheid van de gemeente, maar is als zodanig benoemd in de Nota Archeologie onder archeologisch waardevol gebied 1.
Gebied of terrein van archeologische waarde: gebied of terrein dat zich bevindt in de zone die op de gemeentelijke archeologische beleidskaart van de gemeente Zundert is aangeduid als archeologisch waardevol gebied 2 of 3 waar archeologische waarden, door onderzoek en/of in combinatie met andere bronnen zijn aangetoond, die als behoudenswaardig kunnen worden gekarakteriseerd.
Gebied of terrein met een hoge archeologische verwachting: gebied of terrein dat zich bevindt in de zone die op de gemeentelijke archeologische beleidskaart van de gemeente Zundert is aangeduid als archeologisch waardevol gebied 4 en waarvan op basis van historische, geologische en of bodemkundige opbouw, een hoge dichtheid aan archeologische sporen/vindplaatsen wordt verwacht.
Gebied of terrein met een middelhoge verwachting: gebied of terrein dat zich bevindt in de zone die op de gemeentelijke archeologische beleidskaart van de gemeente Zundert is aangeduid archeologisch waardevol gebied 5 en waarvan op basis van historische, geologische en of bodemkundige opbouw, een middelhoge dichtheid aan archeologische sporen/vindplaatsen wordt verwacht.
Gebied of terrein met een middelhoge verwachting voor Paleolithische tot Neolithische vuursteenvindplaatsen: gebied of terrein dat zich bevindt in de zone die op de gemeentelijke archeologische beleidskaart van de gemeente Zundert is aangeduid archeologisch waardevol gebied 6 en waarvan op basis van historische, geologische en of bodemkundige opbouw, een middelhoge dichtheid aan archeologische sporen/vindplaatsen wordt verwacht, specifiek voor vuursteenvindplaatsen.
Gebied of terrein met een lage archeologische verwachting: gebied of terrein dat zich bevindt in de zone die op de gemeentelijke archeologische beleidskaart van de gemeente Zundert is aangeduid als archeologisch waardevol gebied 7 en waarvan op basis van historische, geologische en of bodemkundige opbouw, een lage dichtheid aan archeologische sporen/vindplaatsen wordt verwacht.
Archeologievrij gebied: gebied waar geen bodemarchief meer aanwezig is. In gebieden waar geen bodemarchief meer aanwezig is, zijn de archeologisch relevante bodemlagen al verstoord of waar reeds definitief archeologisch onderzoek (opgraving) is uitgevoerd. Voor deze gebieden geldt daarom dat er geen sprake meer is van een archeologische verwachting. Deze categorie is aangegeven op de beleidskaart.
Archeologisch vooronderzoek: in schriftelijke rapportage vastgelegd inventariserend onderzoek naar de geschiedenis en de archeologische waarden van een locatie in overeenstemming met de vigerende Kwaliteitsnorm Nederlandse Archeologie (KNA), in de vorm van archeologisch bureauonderzoek of inventariserend veldonderzoek.
Archeologisch bureauonderzoek: vorm van archeologisch onderzoek waarbij de aan- of afwezigheid, het karakter en de omvang, de gaafheid, de conservering en de relatieve kwaliteit van archeologische waarden worden bepaald aan de hand van bestaande bronnen over archeologische waarden die voor een bepaald gebied al bekend zijn of worden verwacht, opgesteld conform de protocollen uit de vigerende KNA.
Inventariserend veldonderzoek (IVO): vorm van onderzoek waarbij extra informatie wordt verworven om het gespecificeerde verwachtingsmodel dat op het archeologische bureauonderzoek is gebaseerd aan te vullen en te toetsen door middel van waarnemingen in het veld. Een IVO wordt verricht door een vergunninghoudende partij, beschikkend over een opgravingsvergunning ex artikel 39 van de Monumentenwet 1988 (incl. de RCE) en uitgevoerd volgens de desbetreffende specificatie in de Kwaliteitsnorm voor de Nederlandse Archeologie (KNA).
Archeologische begeleiding: vorm van onderzoek waarbij de uitvoering van niet-archeologische werkzaamheden door een archeoloog wordt begeleid. Het proces kan 3 doelen dienen:
Om bij afwezigheid van adequaat vooronderzoek door fysieke belemmeringen alsnog een vorm van inventariserend veldonderzoek te kunnen verrichten (cf. IVO-proefsleuven);
Om eventueel aanwezige archeologische informatie te behouden (cf. Opgraven);
Om bij (beperkte) ingrepen in gewaardeerde terreinen aanwezige archeologische informatie te behouden (cf. Opgraven).
Opgraving: Het vlakdekkend onderzoeken van archeologische vindplaatsen, met als doel de gegevens van de vindplaats te documenteren en daarmee de informatie te behouden die van belang is voor kennisvorming over het verleden. Opgravingen worden verricht door een vergunninghoudende partij, beschikkend over een opgravingsvergunning ex artikel 39 van de Monumentenwet 1988 (incl. de RCE) en uitgevoerd volgens de desbetreffende specificatie in de Kwaliteitsnorm voor de Nederlandse Archeologie (KNA).
Plan van Aanpak: Een door de opdrachtnemer op te stellen plan voor de uit te voeren werken waarmee beoogd wordt aan de vereisten zoals geformuleerd in het Programma van Eisen te voldoen met een voorstel voor de werkwijze waarmee de in het Programma van Eisen geformuleerde resultaatsverwachtingen bereikt kunnen worden.
Programma van Eisen: het Programma van Eisen (PvE) is een door de bevoegde overheid opgesteld of bekrachtigd document dat de probleem- en doelstelling van de te verrichten werkzaamheden van de vindplaats geeft en de daaruit af te leiden eisen formuleert met betrekking tot het uit te voeren werk.
Bodemingreep of bodemverstoring: alle grondwerkzaamheden/activiteiten die een effect hebben op het voortbestaan van archeologische waarden in situ.
Monumentencommissie: de door het college van Burgemeester en Wethouders (op basis van art.15 Monumentenwet 1988) ingestelde commissie of aangewezen instantie, die als taak heeft het college van Burgemeester en Wethouders op verzoek of uit eigen beweging te adviseren over de toepassing van de Monumentenwet 1988, de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht en de archeologieverordening.
Vergunninghoudende partij: een dienst, bedrijf of instelling (of de RCE zelf), beschikkend over een door de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed (RCE) afgegeven opgravingsvergunning.
Deskundige op het terrein van de archeologische monumentenzorg: een door het college van Burgemeester en Wethouders aangewezen deskundige op het gebied van de gemeentelijke archeologische monumentenzorg.
Bevoegde overheid: bestuursorgaan als bedoeld in artikel 1.1, eerste lid, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht.
Vergunning: een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, of 2.2 van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht.
Wabo: Wet algemene bepalingen omgevingsrecht.
College: college van Burgemeester en Wethouders.