Naar hoofdinhoud

HOOFDSTUK 2

Artikel 6

Vergunning archeologische verwachtingsgebieden

Onderdeel van Archeologieverordening gemeente Zundert 2012

1.. Burgemeester en wethouders kunnen vergunning verlenen voor graafwerk en bodemingrepen in archeologisch waardevolle gebieden zoals omschreven in artikel 4, lid 2, sub lid a tot en met f. 2.. Een omgevingsvergunning voor de activiteiten zoals genoemd in artikel 2.1, 2.2 en 2.3) van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht, kan slechts worden verleend indien vooraf door aanvrager van de vergunning door middel van een rapportage van archeologisch vooronderzoek conform de KNA en het PvE naar het oordeel van het college in voldoende mate is vastgesteld dat bij realisatie van de bodemingrepen: de archeologische waarden in voldoende mate zijn zeker gesteld; of er geen archeologische waarden aanwezig zijn; of de archeologische waarden niet of niet onevenredig worden geschaad. 3.. Burgemeester en wethouders kunnen aan de verlening van de vergunning de volgende voorschriften verbinden: de verplichting tot het treffen van technische maatregelen waardoor archeologische waarden in de bodem kunnen worden behouden; de verplichting tot het doen van inventariserend veldonderzoek of een opgraving; de verplichting de activiteit die tot bodemverstoring leidt, te laten begeleiden door een hiervoor vergunninghoudende partij op het terrein van de archeologische monumentenzorg. 4.. De gevraagde vergunning kan worden geweigerd, indien de archeologische waarden die in het geding zijn naar het oordeel van het college in situ behouden dienen te blijven. 5.. Het bepaalde in lid 1 geldt niet voor terreinen/gebieden die in overeenstemming met artikel 3 van de Monumentenwet 1988 zijn aangewezen als beschermd archeologisch (rijks)monument (op de archeologische beleidskaart aangegeven als archeologisch waardevol gebied 1).

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel