Onverminderd artikel 2,
lid 2 van de verordening wordt de hoogte en duur
van de maatregel die hoort bij een verwijtbare gedraging als
omschreven in de artikelen 10 en 11 vastgesteld op:
10 % van de bijstandsnorm / grondslag gedurende 1 maand
bij gedragingen van de eerste categorie;
30 % van de bijstandsnorm / grondslag gedurende 1 maand
bij gedragingen van de tweede categorie;
40 % van de bijstandsnorm / grondslag gedurende 1 maand
bij gedragingen van de derde categorie;
100 % van de bijstandsnorm / grondslag gedurende 2
maanden bij gedragingen van de vierde categorie met dien
verstande dat bij het niet behouden van de
dienstbetrekking of het niet aanvaarden dan wel
verkrijgen van algemeen geaccepteerde arbeid van geringe
omvang, de hoogte van de maatregel wordt vastgesteld
naar de mate waarin belanghebbende inkomen heeft
verloren of zou hebben kunnen verwerven.
Van het opleggen van een maatregel als bedoeld onder lid 1,
onder a, kan worden afgezien en worden volstaan met het geven
van een schriftelijke waarschuwing, tenzij het niet nakomen van
deze verplichting plaatsvindt binnen een periode van 2 jaar na
een vorige gedraging waarvoor al een schriftelijke waarschuwing
is gegeven.
De duur van de maatregel als bedoeld in lid 1 wordt verdubbeld,
indien belanghebbende zich binnen twaalf maanden na de vorige
als verwijtbaar aangemerkte gedraging opnieuw schuldig maakt aan
een verwijtbare gedraging uit dezelfde of een hogere
categorie.
Bij volharding in verwijtbare gedrag uit dezelfde of een hogere
categorie en voorts nadat twee eerdere maatregelen zijn
opgelegd, wordt tevens de hoogte van de maatregel
verdubbeld.
Hoofdstuk
Artikel 12.
De hoogte en duur van de maatregel
Onderdeel van Handhavings- en maatregelenverordening inkomensvoorzieningen 2013