Dit artikel heeft betrekking op het feit dat iemand wel recht heeft op een voorliggende voorziening, maar deze voorziening komt niet tot uitbetaling door toepassing van een bestuurlijke boete.
Een voorbeeld: Belanghebbende ontvangt een WW-uitkering, maar geeft voor de tweede keer binnen vijf jaar ontvangen inkomsten niet op. De beslagvrije voet wordt nu op nihil gezet. Stel, deze beslagvrije voet blijft zes maanden op nihil staan, omdat pas na zes maanden de vordering is afgelost. In dat geval heeft de belanghebbende niets om in zijn levensondehoud te voorzien. Hij kan een beroep doen op bijstand. Daarbij is het wel mogelijk om de uitkering te verlagen omdat belanghebbende een tekortschietend besef van verantwoordelijkheid heeft betoond voor de voorziening in het bestaan. Hij had natuurlijk niet hoeven te frauderen. Afwijzen op grond van een voorliggende voorziening is niet mogelijk, omdat er feitelijk geen gebruik gemaakt kan worden van de voorliggende voorziening. Wanneer direct een beroep op bijstand mogelijk is wordt het sanctieregime uit de voorliggende voorziening ondermijnd. Een en ander levert daarom een maatregelwaardig gedraging op, op basis waarvan de bijstand wordt verlaagd. De termijn wordt gesteld op drie maanden om aan te sluiten bij de ernst van het verspelen van de voorliggende voorziening oplopend tot een periode van vijf jaar. De ingangsdatum van de maatregel wordt gelijk gesteld met de start van de verrekening van de boete met de voorliggende voorziening, wanneer pas op een later moment een beroep wordt gedaan op bijstand zal de termijn evenredig korter worden toegepast.
HOOFDSTUK 4.
Artikel 12.
Maatregel bij verlies van een passende voorliggende voorziening door toepassing van bestuurlijke boete.
Onderdeel van Maatregelenverordening Wwb, IOAW, IOAZ Heemstede 2013