Naar hoofdinhoud

HOOFDSTUK 6

Artikel 22

Ruiming, bezorging van overblijfselen en as

Onderdeel van Verordening op het beheer en het gebruik van de gemeentelijke begraafplaatsen

1.. Het voornemen van het college om een graf of urnenruimte te ruimen wordt gedurende ten minste een jaar voorafgaande aan het tijdstip waarop het graf of de urnenruimte geruimd zal worden op een bij het te ruimen graf of de te ruimen urnenruimte te plaatsen bordje ter kennis van de belanghebbenden gebracht, tenzij het adres van de rechthebbende op het graf of de urnenruimte bekend is. In dat geval stellen zij hem uiterlijk een jaar voorafgaande aan het bedoelde tijdstip per brief van hun voornemen in kennis. 2.. De bij de ruiming van het graf nog aanwezige overblijfselen van lijken worden begraven op een daartoe bestemd gedeelte van de begraafplaats. 3.. In afwijking van het bepaalde in het tweede lid, doet de beheerder, op verzoek van de nabestaanden, bedoelde overblijfselen, indien mogelijk, bijeenbrengen voor herbegraving in een nieuw graf op dezelfde begraafplaats of elders. 4.. Van de bij de ruiming van het graf of de urnenruimte nog aanwezige asbussen met of zonder urnen, wordt de inhoud verstrooid op een daartoe bestemd gedeelte van de begraafplaats. 5.. In afwijking van het bepaalde in het vierde lid, houdt de beheerder, op verzoek van de nabestaanden, bedoelde asbussen met of zonder urnen, ter beschikking voor bijzetting in een graf of urnenruimte op dezelfde begraafplaats of elders, of voor het elders doen verstrooien van de as. 6.. Een verzoek als bedoeld in het derde of vijfde lid, wordt vóór de afloop van in het eerste lid bedoelde termijn schriftelijk ingediend bij de beheerder.

Rechtspraak bij dit artikel