Burgemeester en wethouders kunnen op basis van artikel 2.5.30 vierde lid onder b ontheffing verlenen onder toepassing van de Parkeervoorziening indien:
Uit een door de aanvrager van een omgevingsvergunning te overleggen berekening blijkt dat het voldoen aan artikel 2.5.30 eerste lid van de Bouwverordening niet tot de mogelijkheden behoort en;
Er geen overcapaciteit in de parkeergelegenheid in de directe omgeving van het bouwplan aanwezig is waarvan, met toestemming van burgemeester en wethouders, gedurende minimaal 10 jaar gebruik kan worden gemaakt om aan de parkeervraag als gevolg van het bouwplan te kunnen voldoen. Onder de directe omgeving wordt hier verstaan het gebied binnen een acceptabele loopafstand voor de betreffende parkerende doelgroep rond het bouwplan zoals weergegeven in tabel 4.
Er voor de gemeente concreet uitzicht is op het kunnen voldoen aan de over te nemen verplichting. Onder concreet uitzicht wordt hier uitbreiding van parkeercapaciteit verstaan die in ruimtelijke plannen, beleid, beleidsvoornemens of anderszins schriftelijk is vastgelegd.
Hoofdstuk
Artikel 2.1
Voorwaarden toepassing parkeervoorziening
Onderdeel van Beleidsregels Parkeren Maassluis 2012