De beheerder moet zorgen voor een goed woon- en leefklimaat voor de arbeidsmigrant zelf als van de omgeving. Er mag geen overlast zijn. Overlast kan ontstaan door vervuiling van de omgeving, slecht onderhoud van de tuin of het erf, lawaai, onveilig verkeersgedrag, parkeren, criminaliteit, dronkenschap of ander ongewenst gedrag of bejegening. Onderling contact tussen beide groepen bewoners kan op voorhand problemen voorkomen en zorgen voor een goede nabuurschap en een goed leefklimaat. Een goed beheer kan daar aan bijdragen.
Hoofdstuk
Artikel 4
Woon- en leefklimaat
Onderdeel van Ruimtelijke voorwaarden huisvesting EU-arbeidsmigranten in semipermanente voorzieningen