Naar hoofdinhoud

Artikel 3

Innen van de eigen bijdragen voor de maatschappelijke opvang

Onderdeel van Verordening eigen bijdragen gemeente Utrecht maatschappelijke opvang en vrouwenopvang 2011

1.. Het college draagt de inning van de bijdragen op aan de instelling, die de maatschappelijke opvang verzorgt, tenzij het college in de verleningbeschikking aan de instelling of anderszins hiervan nadrukkelijk afwijkt. 2.. De instellingen verlenen slechts voltijdopvang, crisisopvang, begeleid wonen of nachtopvang aan cliënten, die zich tegenover hen verplichten tot het betalen van de in deze verordening bepaalde eigen bijdrage. De instellingen zijn verplicht de vastgestelde bijdrage van de cliënten te innen, uitgezonderd bijzondere regelingen zoals de koudweerregeling. 3.. De instellingen mogen de bijdrage die zij innen splitsen in specifieke onderdelen, als dit voor hen van belang is. De totale eigen bijdrage per cliënt mag hierdoor niet wijzigen. 4.. Indien een cliënt zich niet heeft verzekerd tegen ziektekosten dan wel als een cliënt de premie ziektekostenverzekering niet (tijdig) heeft betaald, kan de instelling de te innen eigen bijdrage verhogen met de norm voor de ziektekostenverzekering, zoals gehanteerd bij het bepalen van de norm persoonlijke uitgaven. De verschuldigde eigen bijdrage blijft gelijk, de instelling stelt het extra geïnde bedrag later weer ter beschikking van de cliënt voor de betaling van de achterstallige premie van de ziektekostenverzekering. 5.. Bij cliënten jonger dan 21 jaar kan de instelling maandelijks maximaal EUR 50,00 extra innen bovenop de eigen bijdrage, mits zij dit bedrag apart zet voor de cliënt. Dit extra ingehouden spaarbedrag wordt uitgekeerd aan de cliënt bij de uitstroom naar zelfstandigheid wonen. 6.. Bij de subsidieverlening voor de maatschappelijke opvang wordt bij het bepalen van het benodigde subsidiebedrag voor de instellingen vooraf de verwachte te innen bijdrage door de instelling in mindering gebracht op het subsidiebedrag. Bij de vaststelling van de subsidie wordt de te innen werkelijke eigen bijdrage berekend op basis van de verordening en in mindering gebracht op de subsidie. De instelling mag daarbij de redelijke kosten van administratie, incasso en oninbaarheid in mindering brengen, waarbij maximaal 5% van het totale te innen bedrag voldoende is. Dit percentage wordt vastgesteld bij de verleningbeschikking en bij de vaststelling niet aangepast ongeacht de werkelijke kosten en oninbaarheid. Er wordt geen extra subsidie verleend in het geval de instelling minder eigen bijdragen int dan de berekende bijdragen. Buiten bovengenoemde herberekening bij de vaststelling wordt de subsidie niet aangevuld dan wel teruggevorderd. Het college kan op grond van redelijkheid en billijkheid in uitzonderingsgevallen afwijken van het bepaalde in dit lid. 7.. Het college verleent aan de instellingen, die de eigen bijdragen van de cliënten innen, het mandaat om met in acht nemen van het bepaalde in deze verordening de bijdrage van de individuele cliënten te bepalen. De instelling mag de verlaging van de bijdrage op basis van artikel 2, zesde lid, evenals op basis van artikel 4 in hun berekening van de bijdrage verwerken, als de cliënt aan de gestelde voorwaarden voldoet. De instelling dient het college minimaal elk half jaar te informeren over het toepassen van deze verlagingen middels een overzicht. 8.. Het college kan andere regels stellen ten aanzien van de inning van de bijdragen middels een collegebesluit dan wel middels de verleningbeschikking voor de subsidie aan de instelling.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel