Deze verordening wordt aangehaald als: Afstemmingsverordening IOAW en IOAZ 2013.
Aldus vastgesteld in de raadsvergadering van 18 februari 2013.
De griffier, De voorzitter,
A.H. Hoeberigs Drs. M.J.A. Eurlings
ALGEMENE TOELICHTING
Op 15 december 2009 heeft de Eerste Kamer ingestemd met het Wetsvoorstel bundeling van uitkeringen inkomensvoorziening aan gemeenten (hierna: Wet Bundeling). Met de inwerkingtreding van de Wet Bundeling per 1 januari 2010 krijgt de gemeente een grotere beleidsmatige rol en financiële verantwoordelijkheid rond de uitvoering van de IOAW, IOAZ, WWIK en Bbz 2004.
De IOAW, IOAZ en het Bbz 2004 kenden tot 1 januari 2010 een financieringsystematiek waarbij 75% bij het Rijk kon worden gedeclareerd en 25% drukte op het gemeentelijke budget; de WWIK kende daarnaast een financieringssystematiek waarbij 100% kon worden gedeclareerd. Per 1 januari 2010 is een systeem van volledige budgetfinanciering ingevoerd, zoals dit nu van toepassing is op het WWB-inkomensdeel. Met de Wet bundeling worden de financiële middelen van de ‘kleine inkomensregelingen’ gebundeld in het volledig gebudgetteerde I-deel dat de gemeente ontvangt voor de bijstandsverstrekking op grond van de WWB. Gemeenten krijgen door de wet aldus een grotere verantwoordelijkheid en lopen ook meer financieel risico.
Niet gebundeld met het I-deel wordt de financiering van de kosten van levensonderhoud van gevestigde, oudere en beëindigende zelfstandigen en van bedrijfskapitaal vanuit het Bbz 2004. Hiervoor blijft aparte financiering bestaan. Door de Wet Bundeling wordt het aantal landelijke regels verder sterk teruggedrongen. In de plaats komt een grotere beleidsruimte voor de gemeente. Deze verordening voorziet daarbij in het afstemmingsbeleid voor de IOAW en IOAZ. Dit was voorheen geregeld bij AMvB. Deze landelijke regeling is met de Wet Bundeling komen te vervallen.
In deze verordening is ervoor gekozen om met betrekking tot de IOAW en IOAZ te komen tot een zo veel mogelijk analoog aan het WWB-regime toe te passen afstemmingsbeleid. Daarbij zij opgemerkt dat de IOAW en IOAZ in afwijking van de WWB in een aantal situaties de mogelijkheid creëren om de uitkering (gedeeltelijk) blijvend te weigeren. De IOAW en IOAZ kennen immers een specifiek uitkeringsregime waarin werkloosheid een centrale rol speelt en hebben daarmee niet het sluitstukkarakter van de WWB. Verwijtbare werkloosheid, het niet aanvaarden van algemeen geaccepteerde arbeid of het door eigen toedoen niet verkrijgen van algemeen geaccepteerde arbeid wordt daardoor zwaar aangerekend. Daarbij is aansluiting gezocht bij de oude AmvB ( Maatregelenbesluit Abw, IOAW en IOAZ). Bij weigering van de uitkering blijft De WWB natuurlijk altijd het vangnet.
Wet aanscherping handhaving en sanctiebeleid SZW-wetgeving
Per 1 januari 2013 treedt de Wet aanscherping handhaving- en sanctiebeleid SZW-wetgeving in werking. Met de wet krijgt het college de plicht om een bestuurlijke boete op te leggen indien sprake is van schending van de inlichtingenplicht. De hoogte van de boete is daarbij in beginsel gelijk aan het bedrag dat belanghebbende te veel aan uitkering heeft ontvangen. De eerdere bevoegdheid om een maatregel in deze situatie op te leggen verdwijnt. Het overgrote deel van hoofdstuk 4 (voorheen paragraaf 4) dat invulling gaf aan die bevoegdheid is komen te vervallen. Er kan wel nog een maatregel worden opgelegd wanneer de medewerkingsplicht genoemd in artikel 13, tweede lid van de wet niet of onvoldoende wordt nagekomen.
ARTIKELSGEWIJZE TOELICHTING