In deze afdeling wordt verstaan onder:
boom: een houtachtig, overblijvend gewas met een dwarsdoorsnede van de stam van minimaal 20 cm (omtrek ± 60 cm) op 1,3 meter hoogte boven het maaiveld. In geval van meerstammigheid geldt de dwarsdoorsnede van de dikste stam;
houtopstand: één of meer bomen of boomvormers, of andere houtachtige gewassen, mogelijk onderdeel uitmakend van hakhout, een houtwal, een grotere (lint)begroeiing van heesters en struiken, een beplanting van bosplantsoen, een struweel of heg, met onder sub a. genoemde minimale dwarsdoorsnede;
hakhout: één of meer bomen die na te zijn geveld, opnieuw op de stronk uitlopen
dunning: velling ter bevordering van het voortbestaan van de houtopstand;
knotten/kandelaberen: het terugsnoeien van de kroon tot een hoofdstam met takstompen. Het tot op de oude snoeiplaats verwijderen van uitgelopen hakhout bij knotbomen, gekandelaberde bomen of leibomen als periodiek noodzakelijk onderhoud.
rooien: het geheel verwijderen van het boven en ondergrondse deel van de houtopstand.
kappen: het geheel of grotendeels verwijderen van het bovengrondse deel van de houtopstand.
bebouwde kom: de bebouwde kom van de gemeente, vastgesteld ingevolge artikel 1, vijfde lid, van de Boswet;
iepziekte: de aantasting van iepen door de schimmel Ophiostoma ulmi (Buism.) Nannf. (syn. Ceratocystis ulmi (Buism.) C. Moreau);
iepenspintkever: het insect, in elk ontwikkelingsstadium, behorende tot de soorten Scolytus scolytus (F.) en Scolytus multistriatus (Marsh) en Scolytus pygmaeus.
vellen: rooien; kappen; verplanten; het snoeien van meer dan 20 procent van de kroon of het wortelstelsel, met inbegrip van kandelaberen; het verrichten van handelingen zowel boven als ondergronds, die de dood of ernstige beschadiging of ontsiering van houtopstand ten gevolge kunnen hebben.
Hoofdstuk 4 › Afdeling 5
Artikel 4.5.1
Begripsomschrijvingen
Onderdeel van Algemene Plaatselijke Verordening gemeente Zoeterwoude