De burgemeester gaat over tot het aanwijzen van de tijdsruimte als
bedoeld in artikel 4 eerste en tweede lid, als handhaving van de
openbare orde, de veiligheid of de volksgezondheid dit vordert.
Voorafgaand aan een aanwijzing hoort de burgemeester de hoofdofficier
van justitie en de korpschef van de regiopolitie.