Naar hoofdinhoud

Hoofdstuk 2 › Paragraaf 2.5

Artikel 2.5.1

Verhouding inkomen - huurprijs

Onderdeel van Verordening houdende regels omtrent de verdeling van woonruimte en de wijziging van de samenstelling van de woonruimtevoorraad

1.. Het inkomen van het huishouden moet in een redelijke verhouding tot de huurprijs of de koopprijs van de woonruimte staan. 2.. Bij de toepassing van het gestelde in het eerste lid hanteert het bestuursorgaan de huurprijs- en inkomensgrenzen conform artikel 8 van het besluit. 3.. Indien voor een woonruimte geen gegadigde met een inkomen overeenkomstig de in het vorige lid vermelde grenzen bij het bestuursorgaan bekend is, wordt de woonruimte ook passend geacht voor een gegadigde met een inkomen dat ten hoogste de loongrens ingevolge de Ziekenfondswet bedraagt. 4.. Voor de bepaling van het inkomen hanteert het bestuursorgaan de volgende nadere uitvoeringsregels: als inkomen wordt het laatst bekende belastbare jaarinkomen gehanteerd; als bewijsstuk hierbij geldt de daarop betrekking hebbende aanslag in de inkomstenbelasting; indien geen aanslag in de inkomstenbelasting is opgelegd, geldt als bewijsstuk de laatste jaaropgave van de werkgever(s) of uitkerende instantie(s) met betrekking tot het bruto-inkomen; indien de aanvrager kan aantonen dat het inkomen sinds de vaststelling van het laatst bekende inkomen overeenkomstig a en b is verminderd of spoedig zal verminderen (bij voorbeeld in verband met pensionering of VUT), geldt in afwijking van het in sub a of b gestelde dat lagere inkomen; burgemeester en wethouders kunnen de woningzoekende vragen een zgn. IB-60 formulier met betrekking tot het meest recente kalenderjaar te overleggen ter verificatie van het opgegeven huishoudensinkomen; 5.. Voor eenzijdig samengestelde woonwijken met specifieke problemen kan het bestuursorgaan woonruimte toewijzen in afwijking van de in het tweede lid gehanteerde grenzen.

Rechtspraak bij dit artikel