Onder dienstreis wordt verstaan een naar het oordeel van de leidinggevende noodzakelijke verplaatsing van een ambtenaar tot het verrichten van werkzaamheden buiten de plaats van tewerkstelling, alsmede het hiermee verband houdende verblijf buiten deze plaats.
Voor de vergoeding van reis- en verblijfkosten geldt, dat de plaats van tewerkstelling in de regel het beginpunt en het eindpunt van de dienstreis is. In afwijking van het bepaalde in de eerste volzin kan de woning van de ambtenaar of een andere plaats als begin- danwel eindpunt van de dienstreis worden aangemerkt, tenzij op de heen- dan wel de terugreis de plaats van tewerkstelling wordt bezocht.
Dienstreizen worden in de regel gemaakt per openbaar vervoer.
Wanneer de dienstreis naar het oordeel van de leidinggevende niet of niet op doelmatige wijze per openbaar vervoer kan worden ondernomen, beslist de leidinggevende met betrekking tot de wijze waarop de dienstreis met een eigen middel van vervoer wordt ondernomen.
De ambtenaar is verplicht ervoor zorg te dragen, dat een eigen middel van vervoer in een zodanige staat verkeert, dat het geacht wordt een betrouwbaar vervoermiddel te zijn.
Hoofdstuk
Artikel 51:1:1:1
Dienstreizen
Onderdeel van Regeling Tegemoetkoming reis- en verblijfkosten dienstreizen