De belastingplichtige voor:
a. de forensenbelasting;
b. de toeristenbelasting;
c. de hondenbelasting;
d. de rioolheffing;
aan wie niet binnen drie maanden na afloop van het belastingjaar of kalenderjaar een aangiftebiljet is uitgereikt of een aanslag is opgelegd, is gehouden binnen twee weken na het verstrijken van die drie maanden bij de in artikel 231, tweede lid, onderdeel b, van de Gemeentewet bedoelde gemeenteambtenaar een schriftelijk verzoek in te dienen om te worden uitgenodigd tot het doen van aangifte.
Indien de belastingplicht voor de hondenbelasting in de loop van het belastingjaar ontstaat dan wel het aantal honden dat door de belastingplichtige wordt gehouden wijziging ondergaat, moet de belastingplichtige binnen twee weken na het tijdstip waarop de belastingplicht is ontstaan of de wijziging van het aantal honden heeft plaatsgevonden, bij de in artikel 231, tweede lid, onderdeel b, van de Gemeentewet bedoelde gemeenteambtenaar schriftelijk verzoeken om te worden uitgenodigd tot het doen van aangifte.
Artikel 8 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen is van overeenkomstige toepassing.
In afwijking van het eerste en tweede lid, kan de belastingplichtige ervoor kiezen om uit eigen beweging aangifte te doen. In dat geval gelden de verplichtingen in het eerste en tweede lid niet.