Zoals in de inleiding al tot uitdrukking kwam, was er tot nu toe geen formeel vastgesteld beleid rondom parkeernormen.
Wel werd zoveel mogelijk gewaarborgd dat er bij nieuwbouw, locatie- en gebiedsontwikkeling voldoende parkeerplaatsen werden gerealiseerd. Ook werd daarbij gepoogd om zoveel mogelijk gelijke situaties gelijk te behandelen. • Instrumenten
Voor het waarborgen van voldoende parkeerplaatsen bij nieuwe ontwikkelingen bestaan 2 instrumenten. Een waarborg is mogelijk:
• via de bouwverordening;
• via een bestemmingsplan.
De bouwverordening is in de huidige situatie een vangnet voor het geval dat parkeernormen in het bestemmingsplan ontbreken. • Bestemmingsplan (nieuwe ontwikkeling)
Bij locatie- en gebiedsontwikkeling wordt nu via een stedenbouwkundig plan het aantal parkeerplaatsen bepaald en vertaald in een bestemmingsplan. Hiervoor is geen specifiek wettelijk vereiste, het vloeit echter wel voort uit de verplichting om te zorgen voor een goede ruimtelijke ordening. Parkeren is een belangrijk onderdeel van deze ordening. Op het moment dat er een concrete aanvraag komt, berekent de gemeente de parkeerbehoefte met behulp van de kencijfers van het CROW. Vanuit een jarenlange ervaring met de parkeersituatie in de gemeente, wordt vaak het maximale kencijfer (zie hoofdstuk 1) als norm opgelegd of is er sprake van maatwerk (bijv. op basis van onderzoek).
In zijn algemeenheid geldt dat de gemeente zo consequent mogelijk bij alle bouwaanvragen een zelfde systematiek hanteert. In de toelichting van een nieuw bestemmingsplan dient te worden onderbouwd dat er voldoende parkeerruimte is. In de regels en op de verbeelding van het bestemmingsplan wordt geborgd dat er daadwerkelijk voldoende ruimte wordt gereserveerd voor het parkeren en/of dat er voldoende parkeerplaatsen worden aangelegd. In conserverende bestemmingsplannen is sprake van een bestendiging van de planologische situatie zonder dat omvangrijke (bouw)ontwikkelingen mogelijk zijn. Om die reden worden geen parkeernormen opgenomen waaraan getoetst dient te worden. • Bouwverordening
De zorg voor voldoende parkeerplaatsen bij bouwplannen is geregeld in artikel 2.5.30 van de gemeentelijke bouwverordening. In dit artikel staat dat bij een bouwplan “in voldoende mate” parkeerruimte aanwezig moet zijn. Op grond daarvan wordt bij het afgeven van de omgevingsvergunning ook beoordeeld of er gezorgd is voor voldoende parkeerruimte (indien nodig). De gemeente toetst bouwplannen aan de Bouwverordening op grond van artikel 2.10 lid 1 onder b van de Wet Algemene Bepalingen Omgevingsrecht (Wabo).
In de huidige praktijk wordt deze “voldoende mate” getoetst aan de parkeerkencijfers van het CROW. Normstelling vindt daarbij plaats tussen de minimum en maximumnorm, dit roept nog wel eens discussies op.
Met deze Nota Parkeernormen wordt het parkeernormenbeleid vastgelegd. Artikel 2.5.30, bouwverordening Neder-Betuwe
1. Indien de omvang of de bestemming van een gebouw daartoe aanleiding geeft, moet ten behoeve van het parkeren of stallen van auto's in voldoende mate ruimte zijn aangebracht in, op of onder het gebouw, dan wel op of onder het onbebouwde terrein dat bij dat gebouw behoort. Deze ruimte mag niet overbemeten zijn, gelet op het gebruik of de bewoning van het gebouw, waarbij rekening moet worden gehouden met de eventuele bereikbaarheid per openbaar vervoer.
2. De in het eerste lid bedoelde ruimte voor het parkeren van auto's moet afmetingen hebben die zijn afgestemd op gangbare personenauto's. Aan deze eis wordt geacht te zijn voldaan:
• indien de afmetingen van bedoelde parkeerruimten ten minste 1,80 m bij 5,00 m en ten hoogste 3,25 m bij 6,00 m bedragen;
• indien de afmetingen van een gereserveerde parkeerruimte voor een gehandicapte - voor zover die ruimte niet in de lengterichting aan een trottoir grenst - ten minste 3,50 m bij 5,00 m bedragen.
3. Indien de bestemming van een gebouw aanleiding geeft tot een te verwachten behoefte aan ruimte voor het laden of lossen van goederen, moet in deze behoefte in voldoende mate zijn voorzien aan, in of onder dat gebouw, dan wel op of onder het onbebouwde terrein dat bij dat gebouw behoort.
4. Het bevoegd gezag kan de omgevingsvergunning verlenen in afwijking van het bepaalde in het eerste en het derde lid:
• indien het voldoen aan die bepalingen door bijzondere omstandigheden op overwegende bezwaren stuit; of
• voor zover op andere wijze in de nodige parkeer- of stallingruimte, dan wel laad- of losruimte wordt voorzien.