Naar hoofdinhoud

Hoofdstuk 3

Artikel 3.3

Lokaal onderzoek

Onderdeel van Beleidsregels parkeernormen

In 2007 heeft het adviesbureau XTNT een parkeerdrukmeting uitgevoerd in de gemeente. Er is toen specifiek onderzoek gedaan naar de parkeerbehoefte bij de 2 plaatselijke supermarkten. Het maximale CROW-kencijfer is minimaal 4,5 parkeerplaats per  100 m2 bvo. Ten tijde van het onderzoek bleek dat er sprake van een parkeervraag van respectievelijk 3,8 en 3,3 tijdens de maatgevende periode. Een tweetal reformatorische kerken heeft in het verleden een eigen onderzoek gedaan. Het CROW-kencijfer is tussen 0,1 en 0,2 parkeerplaats per zitplaats. Hierbij kwam de parkeerbehoefte uit op respectievelijk 0,14 en 0,19 per zitplaats. In 2006 is er onderzoek geweest naar parkeerproblemen in een wijk van Kesteren. Er was toen sprake van parkeeroverlast. Afgezet tegen de huidige minimale kencijfers, waren er in de betreffende straat 6 parkeerplaatsen tekort. Bij de maximale normen waren dit er 16 meer. Gezien de foutgeparkeerde auto’s (dubbel geparkeerd, op trottoir) zal de parkeerbehoefte tegen de maximale norm aan gelegen hebben. Er zijn verschillende mogelijke verklaringen voor de verschillen. Zo kan de ene supermarkt meer aantrekkingskracht hebben dan de andere supermarkt en kan de ene kerk weer meer een streekfunctie hebben dan een andere kerk. Ook in 2009 is er in Kesteren een onderzoek geweest. Uit diverse onderzoeken (’s avonds rond ca. 23.00 uur) blijkt dat de parkeerdruk rond de woningen in de betreffende straat meer dan 100% bedraagt. Dit betekent dat er meer auto’s (foutief) geparkeerd staan, dan er parkeerplaatsen beschikbaar zijn. In totaal waren er 63 parkeerplaatsen voor de woningen beschikbaar. Op het moment dat er nu op basis van de huidige inzichten een parkeerbalans voor het gebied gemaakt zou worden, zouden ca. 80 – 90 parkeer plaatsen nodig zijn. Gegeven de foutgeparkeerde auto’s komt de huidige norm meer in de richting van de parkeerbehoefte. Overigens bleek in dit onderzoek dat het van belang is dat er voldoende parkeerplaatsen op een acceptabele loopafstand liggen. Elders in het gebied was de parkeerdruk vrij laag, de afstand tot de woningen met de parkeerproblematiek bleek echter te hoog te zijn. Automobilisten kiezen er dan eerder voor om fout te parkeren dan om enkele honderden meters verder te lopen. In 2009 is er in Kesteren een inventarisatie uitgevoerd onder bewoners van een straat met dure en middeldure woningen. De 36 huishoudens uit de straat hadden gezamenlijk 71 auto´s. Reeds geruime tijd weten we dat het aantal auto’s toeneemt. De laatste jaren is het aantal personenauto’s veel sterker gestegen dan het aantal huishoudens. Het gemiddeld autobezit per huishouden is toegenomen, van 0,82 auto’s per huishouden in 1980 tot 0,97 auto’s in 2003. Deze sterke toename betekent een extra vraag naar parkeerplaatsen. Het ingezette beleid zal naar verwachting leiden tot een blijvende stijging van het autobezit per huishouden. Nog meer huishoudens nemen een tweede of zelfs derde auto. Hiervoor bestaan diverse verklaringen In verband met het Neder-Betuws verkeer- en vervoerplan is in 2010 een internetenquête gehouden, waarbij voor een oordeel over de kwaliteit van de leefomgeving ook gevraagd is naar de ervaren verkeersoverlast. 45% van de respondenten ervaart vrijwel dagelijks verkeersoverlast, waarbij parkeerproblemen (24%) een grote categorie vormen. Dit blijkt ook uit andere onderzoeken (bijvoorbeeld de staat van de gemeente). In het onderzoek ‘Staat van de gemeente’ (2009), waarderen de respondenten zowel de parkeermogelijkheden in de gemeente als in de buurt met een 6,2. Dit ligt iets lager dan het gemiddelde van deelnemende gemeenten met een vergelijkbaar inwoneraantal (6,6 en 6,5)

Rechtspraak bij dit artikel