1.De maatregel wordt opgelegd met ingang van de eerstvolgende
kalendermaand, volgendop de datum waarop het besluit tot het opleggen
van de maatregel aan de belanghebbende is bekendgemaakt. Daarbij wordt
uitgegaan van de voor die maand geldende uitkeringsnorm.
2.In afwijking van het eerste lid kan de maatregel met terugwerkende
kracht wordenopgelegd, voor zover de uitkering nog niet is
uitbetaald.
3.Een maatregel wordt voor bepaalde tijd opgelegd. Een maatregel die
voor een periodevan meer dan drie maanden wordt opgelegd, wordt
uiterlijk na drie maanden nadat dezeten uitvoer is gelegd
heroverwogen.
4.Indien de maatregel niet (of slechts gedeeltelijk) kan worden
toegepast doordat debeëindiging van de uitkering de effectuering van de
maatregel geheel (of gedeeltelijk) inde weg staat kan de toepassing van
de (resterende) maatregel plaatsvinden indien hetrecht op uitkering
binnen een half jaar na de beëindigingdatum weer ontstaat.
5.Indien achteraf, na het besluit tot beëindiging van de uitkering,
geconstateerd wordt dateen maatregelwaardige gedraging heeft
plaatsgevonden tijdens een voorafgaande periode van uitkeringsverlening
kan de hiervoor van toepassing zijnde maatregel alsnoggeëffectueerd
worden als aan belanghebbende binnen 5 jaar na de beëindigingdatum van
de uitkering opnieuw een uitkering wordt toegekend.