De medewerker bezoldigd overeenkomstig de aanloopschaal, wordt na der termijn genoemd in het tweede lid, ingepast in zijn functieschaal. Op basis van persoonlijk funktioneren, kan van deze termijn worden afgeweken.
De termijnen, bedoeld in het eerste lid, worden eenmaal per jaar door het diensthoofd in overleg met het medezeggenschapsorgaan voor de dienst vastgesteld.
Voorwaarde voor inpassing in de functieschaal is, dat de medewerker zijn functie volledig en in voldoende mate uitoefent.
Het oordeel als bedoeld in het derde lid, dient te zijn gebaseerd op een of meer functioneringsgesprekken.
De bevoegdheid tot inpassing in de functieschaal berust bij het diensthoofd.