Artikel 16 regelt het primaat van de verhuizing. Dat wil zeggen dat als vast staat dat een aanpassing noodzakelijk is en meer kost dan € 6.807, eerst beoordeeld wordt of verhuizing naar een reeds geheel aangepaste woning, of naar een goedkoper en gemakkelijker aan te passen woning een oplossing is die in aanmerking komt.
1. Afweging
Bij de afweging tussen verhuizing of woningaanpassing spelen vervolgens de volgende factoren een rol:
beschikbaarheid van aangepaste of eenvoudig aan te passen woonruimte;
vergelijking aanpassingskosten huidige en nieuwe woonruimte;De mogelijke gebruiksduur van de aanpassing. Aanpassingen aan sociale huurwoningen zijn vaker opnieuw in te zetten dan aanpassingen aan koopwoningen, omdat deze huurwoningen opnieuw kunnen worden verhuurd aan personen met een beperking. Ook de medische prognose speelt in dit verband een rol. Indien vaststaat dat iemands toestand naar verwachting zodanig zal verslechteren, en dat als gevolg daarvan de aanpassing slechts voor beperkte tijd zal volstaan, kan dat gegeven een rol spelen in de afweging tussen verhuizing aanpassen;
snelheid waarmee het woonprobleem opgelost kan worden door verhuizing dan wel aanpassing. De richtlijn is dat een verhuizing binnen maximaal 6 maanden gerealiseerd moet kunnen zijn. Bij weigering van een aangepaste woning gaat de termijn opnieuw in;
aanwezigheid mantelzorg in huidige en nieuwe woonomgeving;
binding van de aanvrager met de wijk;
ligging van de huidige en nieuwe woonruimte ten opzichte van voorzieningen en werklocatie;
consequenties van verhuizing dan wel aanpassing voor de woonlasten van de aanvrager. Voor aanvragers, die op grond van hun inkomen in aanmerking komen voor Individuele Huursybsidie (IHS), is hierbij de richtlijn dat de verhuizing niet mag leiden tot overschrijding van de fiatteringgrens(het op dat moment geldende maximum), tenzij de aanvrager geen bezwaar heeft tegen een huurverhoging;
overige financiële consequenties van verhuizing dan wel aanpassing voor eigenaar-bewoner.
Vaak zal een aangeboden mogelijkheid te verhuizen naar een andere woning door de aanvrager als negatief worden beoordeeld: vaak zal men graag willen blijven wonen in de vertrouwde woning. Als de bovenomschreven afweging in het voordeel van verhuizing uitvalt, is die wens niet meer doorslaggevend.
2. Hoofdverblijf
De gemeente waar de aanvrager de woning van haar hoofdverblijf staat heeft compensatieplicht, behalve in de situatie waarin de persoon uit de Wmo-doelgroep verhuist van de ene gemeente naar een andere gemeente. Een aanvraag voor een woonvoorziening in de vorm van een verhuiskostenvergoeding behoort dan tot de compensatieplicht van de vertrekgemeente.
In uitzonderingssituaties is er sprake van twee hoofdverblijven. Daarbij moet worden gedacht aan gehandicapte kinderen van gescheiden ouders, die in co-ouderschap door beide ouders worden opgevoed en daadwerkelijk de ene helft van de tijd bij de ene ouder wonen en de andere helft van de tijd bij de andere ouder. Alleen in die situatie kunnen in beide ouderlijke woningen woonvoorzieningen getroffen worden, en niet in situaties waarin sprake is van bezoekregelingen. Als de woningen van de ouders in een dergelijke situatie in twee verschillende gemeenten zijn gesitueerd, rust de compensatieplicht alleen op de gemeente waar de woning van de betreffende ouder is gelegen.
3. Verhuis- en inrichtingskostenvergoeding
Valt de afweging uit in het voordeel van verhuizing, dan gaat de verhuiskostenvergoeding een rol spelen. Een verhuiskostenvergoeding zal veelal in de vorm van een persoonsgebonden budget ter hoogte van € 3.015 worden toegekend. Dit is in drie situaties mogelijk aan de orde:
De aanvrager gaat vanwege problemen met het normale gebruik van de woning verhuizen naar een adequate woning;
De aanvrager vraagt een woonvoorziening aan in de vorm van een woningaanpassing, maar na onderzoek blijkt verhuizing de goedkoopst adequate oplossing te zijn voor het woonprobleem. Ook mogelijk is dat de betreffende woning niet kan worden aangepast;
Voor het vrijmaken van een aangepaste woning door een persoon die in een aangepaste woning woont.
4. Voorwaarden voor een verhuiskostenvergoeding
Een persoonsgebonden budget in de kosten van verhuis- en herinrichtingskosten is bedoeld als goedkoopst-adequaat alternatief voor een dure woningaanpassing in gevallen waarin die verhuizing niet algemeen gebruikelijk is, gelet op leeftijd, gezins- of woonsituatie. Verhuizingen wegens gezinsuitbreiding of om als jongvolwassene zelfstandig te gaan wonen zijn in beginsel algemeen gebruikelijk, evenals voorspelbare verhuizingen van senioren.
Voor verhuizingen naar AWBZ-instellingen of andere zorginstellingen wordt geen persoonsgebonden budget verstrekt, evenmin voor verhuizingen naar woningen die niet geschikt of bestemd zijn voor permanente bewoning, zoals in artikel 20, aanhef en onder e van de verordening wordt bepaald.
Een verhuis- en inrichtingskostenvergoeding kan verstrekt worden wanneer er sprake is van ondervonden belemmeringen bij het normale gebruik van de woning, die door middel van een verhuizing op de goedkoopst-adequate kunnen worden opgelost. Deze eis wordt niet gesteld als het gaat om een verhuizing naar een ADL-woning en evenmin in situaties waarin het gaat om een persoon buiten de Wmo-doelgroep een aangepaste woning te laten vrijmaken. Alleen als het vrijmaken van de woning op verzoek van het college gebeurt, is er aanspraak op een persoonsgebonden budget voor verhuis- en herinrichtingskosten.
Het college verstrekt in beginsel geen persoonsgebonden budget voor verhuizing en herinrichting, indien de verhuizing heeft plaatsgevonden voordat op de aanvraag is beschikt, tenzij achteraf alsnog kan worden vastgesteld dat er problemen bij het normale gebruik van de woning werden ondervonden in de verlaten woning. Als dat laatste niet meer kan, is dat reden voor afwijzing.
Hoofdstuk 4
Artikel 4.3
Primaat verhuizing
Onderdeel van Nadere regels individuele voorzieningen maatschappelijke ondersteuning Nijkerk