Naar hoofdinhoud

Hoofdstuk 2. › Afdeling 2.

Artikel 4.

Algemene voorschriften.

Onderdeel van Lozingsverordening riolering

1.. Voor bedrijven en instellingen waarvoor een kennisgevingsplicht als bedoeld in artikel 3, eerste en tweede lid, geldt en die bovendien genoemd zijn in het derde lid, is het toegestaan door middel van een werk afvalstoffen in de riolering te lozen met inachtneming van de in het tweede lid genoemde algemene voorschriften voor zover deze in het derde lid op de daarin genoemde bedrijven en instellingen van toepassing zijn verklaard. 2.. De algemene voorschriften luiden als volgt: Het gehalte aan minerale olie in het te lozen afvalwater mag niet meer bedragen dan 200 mg/l, bepaald volgens NEN 6675. Vloeistoffen op basis van minerale olie, zoals afgewerkte olie, alsmede smeer- en systeemoliën, die vrijkomen bij het onderhouden, herstellen en/of reinigen van voertuigen of onderdelen daarvan en accuzuur mogen niet worden geloosd. Het gehalte aan plantaardige oliën en dierlijke wetten in het te lozen afvalwater mag niet meer dan 200mg/l bedragen, bepaald volgens NEN3235.9.2.1 dan wel NEN 3235.9.2.2. Grove afvalstoffen, zoals groentesnippers en etensresten, alsmede snel bezinkende stoffen mogen niet worden geloosd. Grove afvalstoffen, zoals darmen en vetstukken, haren, veren, schubben, graten en der gelijke mogen niet worden geloosd. Bloed mag niet worden geloosd. Grove afvalstoffen, zoals koppen en staarten, schubben en graten en dergelijke mogen niet worden geloosd. Verfresten en oplosmiddelen mogen niet worden geloosd. Gier en mest mogen niet worden geloosd. Reinigingsmiddelen voor textiel, alsmede het residu dat ontstaat bij het terugwinnen (destilleren) daarvan mogen niet worden geloosd. De spui van het koelwatersysteem mag niet worden geloosd indien aan het koelwater stoffen zijn toegevoegd. Textielvezels en dergelijke mogen niet worden geloosd. De temperatuur van het te lozen afvalwater mag ten hoogste 30 graden Celsius zijn. Ten behoeve van controle op lozingen dienen een of meer doelmatige controleputten te zijn aangebracht. De lozing van amalgaamresten dient zoveel als technisch mogelijk te worden beperkt, met inachtneming van de ten aanzien van tandartspraktijken bepaalde voorzieningen in bijlage 5. 3.. De bedrijven en instellingen en de daarop van toepassing verklaarde algemene voorschriften zijn de volgende: (Bedrijven en instellingen + Van toepassing verklaarde algemene Voorschriften) Herstel- en onderhoudsplaatsen voor voertuigen en machinerieën, met uitzondering van bedrijven voor anti-carrosiebehandeling; tankstations voor motorbrandstoffen met daaraan verbonden service-stations + A,B,G.O Tankstations voor motorbrandstoffen + A,B,O Wasplaatsen voor het uitwendig reinigen van voertuigen; op- en overslagbedrijven voor vloeibare brandstoffen, minerale oliën en vetten + A,B,N,O Op- en overslagplaatsen voor plantaardige en/of dierlijke oliën en vetten + C.N.O Keukens voor bedrijfsmatige bereiding van warme spijzen + C.D.N.O Werkplaatsen voor het wassen en/of planklaar maken van groenten en aardappelen + D.O Slagerijen, met inbegrip van die waarin geslacht wordt, en poelierderijen, worstmakerijen, vleeswarenbereiding en werkplaatsen voor de bereiding van kleine spijzen waarin vlees en vleeswaren verwerkt zijn + C,E,H,N,O Werkplaatsen voor de bewerking van vis + C,F,N,O Schilderswerkplaatsen + G.O. Veeteeltbedrijven en maneges + H.O Chemische wasserijen, met uitzondering van poetsdoekwasserijen + K.N.O Bedrijven en instellingen die koelwater op de riolering lozen + L.O. Natwasserijen + M,N,O Tandartspraktijken + P 4.. Ingeval een bedrijf of instelling als bedoeld in het derde lid geen zelfstandige eenheid vormt, maar deel uitmaakt van een groter geheel, zijn de in dat lid voor de desbetreffende categorie gestelde regels uitsluitend op dat onderdeel van toepassing. 5.. Teneinde aan de lozingsvoorschriften van dit artikel te kunnen voldoen zijn de bedrijven en instellingen van de in lid 3 genoemde categorie verplicht de voorzieningen te treffen die in Bijlage 1 van deze verordening zijn opgenomen, welke bijlage integraal deel uitmaakt van deze verordening. De voorzieningen dienen te worden gebruikt op de in de Bijlage 1 aangegeven wijze. 6.. Burgemeester en wethouders kunnen op verzoek van het bedrijf of de instelling ontheffing verlenen van een of meer van de in Bijlage 1 opgenomen voorschriften.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel