Naar hoofdinhoud

Hoofdstuk 2. › Paragraaf 5.

Artikel 2.5.14.

Artikel 2.5.14.

Onderdeel van Bouwverordening

Ontheffing voor overschrijdingen van de achtergevelrooilijn. Burgemeester en wethouders kunnen ontheffing verlenen van het verbod tot het bouwen met overschrijding van de achtergevelrooilijn voor: buiten de bebouwde kom gelegen gebouwen, geen kassen zijnde, voor doeleinden van bodemcultuur en veeteelt, pluimveeteelt, daaronder begrepen, waarvan de afstand tot de zijdelingse grens van het erf minder van 20 meter bedraagt; binnen de bebouwde kom gelegen kassen; vrijstaande enkele of dubbele eengezinshuizen; gebouwen op een terrein waarvan twee tegenover elkaar liggende zijden grenzen aan wegen, aan een weg en een openbaar water, aan een weg en een spoorweg of aan een weg en een plantsoen en welk terrein slechts aan een van die zijden mag worden bebouwd; gebouwen op binnenterreinen, mits hiervan de bereikbaarheid, als bedoeld in de artikelen 2.5.3 en 2.5.4, is verzekerd; bijgebouwen (waaronder aan- of uitbouwen) bij woningen, anders dan bedoeld in 2.5.13 sub f, met dien verstande dat: bij bouwpercelen tot 1000 m2: per woning aan bijgebouwen achter de achtergevelrooilijn niet meer dan 60 m2 wordt gebouwd, mits het bouwperceel blijft voldoen aan het bepaalde in 2.5.15. De maat van 60 m2 (40%) mag – t.b.v. mantelzorg – tot 80 m2 worden opgetrokken. In dat geval dient – in plaats van het bepaalde in 2.5.15 – tenminste 15 m2 aaneengesloten onbebouwd terrein op het bouwperceel aanwezig te blijven; bij bouwpercelen tussen 1000 m2 en 2000 m2: per woning aan bijgebouwen achter de achtergevelrooilijn niet meer dan 80 m2 mag worden gebouwd, mits het bouwperceel blijft voldoen aan het bepaalde in 2.5.15. De maat van 80 m2 mag – in bijzondere gevallen – worden opgetrokken tot 100 m2 t.b.v. woonvertrekken (woon-/eetkamer, keuken, badkamer, slaapkamer); in dat geval dient – in plaats van het bepaalde in 2.5.15 – tenminste 15 m2 aaneengesloten onbebouwd terrein op het bouwperceel aanwezig te blijven; bij bouwpercelen groter dan 2000 m2: per woning aan bijgebouwen achter de achtergevelrooilijn niet meer dan 100 m2 mag worden gebouwd, mits het bouwperceel blijft voldoen aan het bepaalde in 2.5.15; bijgebouwen met een maximale bouwhoogte van 4,5 meter zonder afschuiningshoek; gebouwen in een bouwstrook of bouwblok, geheel of overwegend handels- of industrieterrein omvattend; bouwvergunningplichtige bouwwerken, geen gebouw zijnde; ondergrondse bouwwerken, zoals kelders, kelderkoekoeken en kelderingangen, mits de bovenzijde daarvan niet hoger is gelegen dan de hoogte van het terrein ter plaatse bij voltooiing van de bouw; erkers bijgebouwen (waaronder aan- of uitbouwen) bij andere gebouwen dan woningen (niet zijnde dienstwoningen), anders dan bedoeld in 2.5.13 sub f met dien verstande dat: het achter de achtergevelrooilijn gelegen gedeelte van het bouwperceel geheel mag worden bebouwd, mits het bouwperceel blijft voldoen aan het bepaalde in artikel 2.5.16; bijgebouwen met een maximale bouwhoogte van 6.00 meter zonder afschuiningshoek mogen worden gerealiseerd. trappenhuizen buitentrappen en liftschachten, hijsinrichtingen en stortbuizen, balkons en veranda's alsmede andere luifels, afdaken, dakoverstekken, uitspringende schoorsteenwanden, terrassen en bordessen dan bedoeld zijn in artikel 2.5.13; bouwwerken aan of bij een monument - als bedoeld in de Monumentenwet 1988 dan wel in de provinciale of gemeentelijke monumentenverordening - voor zover zulks niet bezwaarlijk is om de in historisch-esthetisch opzicht gewenste aansluiting te verkrijgen bij het karakter van de bestaande omgeving; bebouwing in meerdere bouwlagen in de strook van 5 meter langs de zijdelingse perceelsgrens tot een bebouwingsdiepte van maximaal 15 meter met inachtneming van het bepaalde in de artikelen 2.5.20., 2.5.23 en 2.5.24; antennes, anders dan bedoeld in artikel 3, eerste lid, onder e en f, van het Besluit bouwwerken. Indien toepassing wordt gegeven aan het gegeven aan het gestelde in artikel 2.5.14, lid 1, sub m is de volgende procedure van toepassing: de aanvraag ligt gedurende twee weken ter inzage; voorafgaande aan de terinzagelegging wordt in een of meer dag-, nieuws- of huis-aan-huisbladen kennis gegeven van de aanvraag; gedurende de termijn van terinzagelegging kunnen belanghebbenden schriftelijk hun zienswijzen omtrent de aanvraag inbrengen; indien er zienswijzen zijn ingebracht kunnen burgemeester en wethouders de beslissing over de aanvraag om een reguliere bouwvergunning met ten hoogste 6 weken verdagen.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel