Een persoon als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder g, onderdeel 5 en 6 van de wet kan voor de in artikel 21, onder b., c. en d. vermelde voorziening in aanmerking worden gebracht wanneer:
aantoonbare beperkingen op grond van ziekte of gebrek het gebruik van een collectief systeem als bedoeld in artikel 21, onder a., onmogelijk maken dan wel;
een collectief systeem als bedoeld in artikel 21, onder a., niet aanwezig is.
Hoofdstuk 5.
Artikel 23
Het primaat van het collectief vervoer
Onderdeel van Verordening individuele verstrekkingen maatschappelijke ondersteuning gemeente Midden-Delfland 2007