Naar hoofdinhoud

HOOFDSTUK I

Artikel 8

Hoogte van de maatregel

Onderdeel van Afstemmingsverordening WWB, IOAW en IOAZ 2013 gemeente Koggenland

1.. Onverminderd artikel 2, tweede lid, wordt de maatregel vastgesteld op: vijf procent van betreffende bijstandsnorm en/of grondslag gedurende een maand bij een gedraging uit de eerste categorie; tien procent van betreffende bijstandsnorm en/of grondslag gedurende een maand bij een gedraging uit de tweede categorie; twintig procent van betreffende bijstandsnorm en/of grondslag gedurende een maand bij een gedraging uit de derde categorie; honderd procent van betreffende bijstandsnorm en/of grondslag gedurende een maand bij een gedraging uit de vierde categorie. 2.. In afwijking van het eerste lid, onder c, legt het college, indien belanghebbende een uitkering ontvangt op grond van de IOAW en de belemmerende gedragingen, bedoeld in artikel 7 vierde lid, onder k, dusdanige vormen aannemen dat gesproken moet worden van het door eigen toedoen niet verkrijgen van algemeen geaccepteerde arbeid, alsmede van het weigeren van hem aangeboden algemeen geaccepteerde arbeid te aanvaarden, voor onbepaalde duur een maatregel op ter hoogte van het door eigen toedoen niet verkregen netto inkomen uit deze arbeid. 3.. Het college legt indien belanghebbende een uitkering ontvangt op grond van de IOAW/IOAZ, met inachtneming van artikel 20, vierde lid IOAW/IOAZ, voor onbepaalde duur een maatregel op indien de belanghebbende door eigen toedoen een inkomen uit of in verband met arbeid is verloren en: aan de beëindiging van zijn dienstbetrekking een dringende reden ten grondslag ligt in de zin van artikel 678 van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek; dan wel de dienstbetrekking is beëindigd door of op verzoek van de belanghebbende zonder dat aan de voortzetting ervan zodanige bezwaren waren verbonden, dat deze voortzetting redelijkerwijs niet van hem zou kunnen worden gevergd. De hoogte van de maatregel is gelijk aan het door dit gedrag verloren netto inkomen. 4.. Het college heroverweegt een besluit als bedoeld in het tweede lid binnen een door hem te bepalen termijn die ten hoogste drie maanden bedraagt.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel