Als het bezit van een belanghebbende niet ten minste driemaal de
toepasselijke bijstandsnorm bedraagt, verrekent het college de
recidiveboete gedurende één maand zonder inachtneming van de
beslagvrije voet. De verrekening geschiedt vanaf het moment van
de dagtekening waarop de bestuurlijke boete is opgelegd.
Aansluitend op verrekening als bedoeld in het eerste lid,
verrekent het college de recidiveboete in de daarop volgende
twee maanden op een dusdanige wijze dat belanghebbende blijft
beschikken over een inkomen ter hoogte van 800Zo van de
toepasselijke bijstandsnorm.
Tot het inkomen, bedoeld in het tweede lid, worden ook middelen
gerekend als bedoeld in artikel 31, tweede lid, onderdelen n en
r, van de Wet werk en bijstand.
HOOFDSTUK II
Artikel 3
Verrekenen zonder in achtneming beslagvrije voet bij geen of onvoldoende bezit
Onderdeel van Verordening verrekening bestuurlijke boete bij recidive