Naar hoofdinhoud

§ 6.2

Artikel 36.

Toeslag alleenstaande en alleenstaande ouder

Onderdeel van Verzamelverordening WWB Ioaw, Ioaz en Bbz 2013

1.. De toeslag als bedoeld in artikel 25 eerste lid van de wet bedraagt 20% van de gehuwdennorm voor de alleenstaande en alleenstaande ouder in wiens woning geen ander zijn hoofdverblijf heeft. 2.. De toeslag als bedoeld in artikel 25 eerste lid van de wet bedraagt 15% van de gehuwdennorm voor de alleenstaande en alleenstaande ouder als deze geen zelfstandige woonruimte bewoont, onderhuurder of medebewoner is. 3.. De toeslag als bedoeld in artikel 25 eerste lid van de wet bedraagt 5% van de gehuwdennorm voor de alleenstaande en de alleenstaande ouder die inwonend is bij zijn ouders. 4.. De toeslag als bedoeld in artikel 25 eerste lid van de wet bedraagt 10% van de gehuwdennorm voor de alleenstaande en alleenstaande ouder in wiens woning één inwonende zijn hoofdverblijf heeft. 5.. De toeslag als bedoeld in artikel 25 eerste lid van de wet bedraagt 5% van de gehuwdennorm voor de alleenstaande en alleenstaande ouder in wiens woning twee inwonenden hun hoofdverblijf hebben. 6.. Er is geen recht op een toeslag voor de alleenstaande en de alleenstaande ouder in wiens woning meer dan twee inwonenden hun hoofdverblijf hebben. Huuropbrengsten die de toeslag van 20% van de gehuwdennorm te boven gaan zullen als inkomen op de uitkering in mindering worden gebracht. 7.. Voor de toepassing van dit artikel worden: gehuwden aangemerkt als één inwonende; niet aangemerkt als een persoon met wie kosten kunnen worden gedeeld: de verzorgingsbehoevende die door belanghebbende wordt verzorgd: het WSF-/WTOS kind: het inwonende kind van 18-21 jaar.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel