1.Geen verlaging als bedoeld in artikel 26 van de wet wordt toegepast voor de gehuwden bij
wie geen ander zijn hoofdverblijf heeft.
2.Het normbedrag voor gehuwden wordt verlaagd met 5% als de gehuwden geen
zelfstandige woonruimte bewonen, onderhuurders of medebewoners zijn.
3.Het normbedrag voor gehuwden wordt verlaagd met 10%als de gehuwden
woonkosten verschuldigd zijn voor de woning en deze kunnen delen met één inwonende.
4.Het normbedrag voor gehuwden wordt verlaagd met 15% als de gehuwden woonkosten
verschuldigd zijn voor de woning en deze kunnen delen met méér dan één inwonende.
5.Als de woning gedeeld wordt met meer dan twee inwonenden wordt de uitkering verlaagd
met 20% van de gehuwdennorm. Huuropbrengsten die de toeslag van 20% van de gehuwdennorm te boven gaan zullen als inkomen op de uitkering in mindering worden gebracht.
6.Het normbedrag voor gehuwden wordt verlaagd met 15% als de gehuwden inwonen bij
(schoon)ouders.
Voor de toepassing van dit artikel worden:
gehuwden aangemerkt als één inwonende;
niet aangemerkt als een persoon met wie kosten kunnen worden gedeeld:
de verzorgingsbehoevende die door belanghebbende wordt verzorgd:
het WSF-/WTOS kind:
het inwonende kind van 18-21 jaar.
§ 6.3
Artikel 39.
Verlagen bijstandsnorm gehuwden
Onderdeel van Verzamelverordening WWB Ioaw, Ioaz en Bbz 2013