Naar hoofdinhoud

Hoofdstuk 2

Artikel 3

Bijbehorende bouwwerken

Onderdeel van Beleidsregels planologische afwijkingsmogelijkheden o.g.v. artikel 4 bijlage 2 BOR

Wettelijk kader Voor verlening van een omgevingsvergunning waarbij met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, onder a, onder 2°, van de wet van het bestemmingsplan of de beheersverordening wordt afgeweken, komen in aanmerking: lid 1: een bijbehorend bouwwerk: binnen de bebouwde kom, buiten de bebouwde kom, mits wordt voldaan aan de volgende eisen: niet hoger dan 5 m, tenzij sprake is van een kas of bedrijfsgebouw van lichte constructie ten dienste van een agrarisch bedrijf, de oppervlakte niet meer dan 150 m², en het bouwen niet tot gevolg heeft dat het aansluitend terrein voor meer dan 50% wordt bebouwd dan wel dat de oppervlakte die op grond van het bestemmingsplan of de beheersverordening voor bebouwing in aanmerking komt voor meer dan 50% wordt overschreden; De gemeente Bodegraven-Reeuwijk vindt het gewenst om een uniforme regeling te hanteren voor bijbehorende bouwwerken bij een woning binnen de bebouwde kom (begrenzing hiervan is opgenomen in Bijlage 1) zowel voor bijbehorende bouwwerken of het voorerf als het achtererf, en daarom worden hiervoor de volgende regels opgenomen: 3.1       Bijbehorende bouwwerken op zij- en achtererf Oppervlakte en bebouwingspercentage De oppervlakte aan bijbehorende bouwwerken mag per bouwperceel niet meer bedragen dan 120 m², met dien verstande dat het bebouwingspercentage van het bouwperceel niet meer mag bedragen dan 50 %. Ligging Uitgangspunt van de regeling voor bijbehorende bouwwerken is dat deze op het achtererf bij een woning opgericht mogen worden, op minimaal 3 m achter de voorgevel van de woning. Op figuur 1 is weergegeven waar het bouwen van bijbehorende bouwwerken is toegestaan. Het bouwen van een bijbehorend bouwwerk in het gebied tussen 1 m en 3 m achter de voorgevel is toegestaan, indien uit een stedenbouwkundige afweging blijkt dat er geen bezwaren tegen het bouwwerk bestaan. Overigens biedt artikel 2 lid 3 van bijlage 2 bij het Besluit Omgevingsrecht de mogelijkheid om hier vergunningsvrij bijbehorende bouwwerken te realiseren. De beleidsregels zijn niet van toepassing voor zover een bouwwerk al vergunningvrij gebouwd kan worden. Voor hoeksituaties geldt dat bijbehorende bouwwerken op het zijerf zijn toegestaan vanaf 3 m van de erfgrens, zie figuur 2. Indien de breedte van het zijerf minder is dan 3 m dan is het bouwen van bijbehorende bouwwerken uitsluitend mogelijk na een stedenbouwkundige afweging, in deze afweging kunnen ook verkeersveiligheidsaspecten worden meegewogen (zie figuur 3). In bepaalde gevallen zijn op het gehele zijerf bijbehorende bouwwerken toegestaan, zoals wanneer de hoekwoning is gelegen aan een groenstrook of aan openbaar water (zie figuur 4). Indien deze strook een minimale breedte heeft van 3 m is het bouwen van bijbehorende bouwwerken ook op het zijerf toegestaan. Op het basisprincipe voor de hoeksituatie wordt een uitzondering gemaakt indien aan de achterzijde een hoofdgebouw is gelegen. In dergelijke gevallen dient een bijbehorend bouwwerk op minimaal 3 m achter de voorgevellijn van het achtergelegen hoofdgebouw te worden gebouwd (zie figuur 5). Voorzover aan de zijgevel al een bijbehorend bouwwerk is gerealiseerd geldt dat achter het verlengde van dit bijbehorend bouwwerk ook het bouwen van bijbehorende bouwwerken is toegestaan. Voor het gedeelte op het zijerf naast, en aan de voorzijde, van dit bijbehorend bouwwerk kan het bouwen van bijbehorende bouwwerk uitsluitend worden toegestaan indien een stedenbouwkundige afweging heeft plaatsgevonden (zie figuur 6). Overige regels Naast de bovenstaande regels met betrekking tot de ligging gelden de volgende voorwaarden: de goothoogte van aan het hoofdgebouw gebouwde bijbehorende bouwwerken mag niet meer bedragen dan de bovenkant van de scheidingsconstructie met de tweede bouwlaag van het hoofdgebouw, vermeerderd met 30 cm; voor de bouwhoogte van aan het hoofdgebouw gebouwde bijbehorende bouwwerken geldt het volgende: indien het bijbehorend bouwwerk wordt voorzien van een plat dak mag de bouwhoogte niet meer bedragen dan de scheidingsconstructie met de tweede bouwlaag van het hoofdgebouw, vermeerderd met 30 cm; indien het bijbehorend bouwwerk wordt voorzien van een kap dient de dakhelling gelijk te zijn aan de dakhelling van het hoofdgebouw waarbij de bouwhoogte niet meer mag bedragen dan de bovenkant van de scheidingsconstructie met de derde bouwlaag van het hoofdgebouw, vermeerderd met 30 cm; de goothoogte van vrijstaande bijbehorende bouwwerken mag niet meer bedragen dan 3 m; de bouwhoogte van vrijstaande bijbehorende bouwwerken mag niet meer bedragen dan 6 m; de afstand tussen bijbehorende bouwwerken en openbaar water bedraagt ten minste 1 m; de bouwdiepte van aan het hoofdgebouw gebouwde bijbehorende bouwwerken mag niet meer bedragen dan 3,5 m, gemeten vanaf de achtergevel van het hoofdgebouw; de breedte van de aan- en uitbouwen en bijgebouwen op het zijerf van een woning bedraagt ten hoogste 4 m, met dien verstande dat; in afwijking van het voorgaande, mag een aan- en uitbouw of bijgebouw een breedte van 40% van het zijerf hebben, indien het bij een woning behorende zijerf een breedte heeft van meer dan 10 m; Toelichting beleidsregel In de beleidsregels wordt aangesloten bij het begrip 'bijbehorend bouwwerk' uit het Besluit Omgevingsrecht. Hieronder wordt verstaan: 'uitbreiding van een hoofdgebouw dan wel functioneel met een zich op hetzelfde perceel bevindend hoofdgebouw verbonden, daar al dan niet tegen aangebouwd gebouw, of ander bouwwerk, met een dak'. Onder de definitie van een bijbehorend bouwwerk vallen zowel aan- en uitbouwen, bijgebouwen als overkappingen. Bij de beoordeling of een bijbehorend bouwwerk kan worden gebouwd op een perceel zal eerst worden gekeken of dit past binnen de maximale oppervlakte aan bijbehorende bouwwerken welke op een perceel is toegestaan (120 m²) en het maximale  bebouwingspercentage van het perceel (50 %). Bij het bepalen van de oppervlakte worden zowel gebouwde vergunningsvrije als niet-vergunningsvrije bijbehorende bouwwerken meegenomen. Het bebouwingspercentage wordt berekend over alle gebouwen op een bouwperceel, dus het hoofdgebouw en de bijbehorende bouwwerken. Voor wat betreft de ligging van een bijbehorend bouwwerk is het uitgangspunt dat deze zijn toegestaan op minimaal 3 m achter de voorgevel van de woning. Hierop zijn enkele uitzonderingen gemaakt, welke nader worden beschreven in lid 3.2, 3.3 en 3.4. Voor de plaats van bijbehorende bouwwerken is de definitie van de begrippen 'voorgevel' en 'voorgevelrooilijn' van belang. Voor deze beleidsregels wordt dit onderscheid gemaakt door de definitie van 'voorgevel' "de gevel van een (bedrijfs)woning die naar aard, functie, constructie dan wel gelet op uitstraling en oriëntatie als belangrijkste beeldbepalende gevel kan worden aangemerkt". In veel gevallen zal dit ook de gevel zijn waarin zich de hoofdtoegang (voordeur) bevindt. Bij het bepalen of een bouwwerk gebouwd mag worden wordt voor de ligging aansluiting gezocht bij de bovenstaande afbeeldingen en de bijbehorende beschrijving. Indien er sprake is van een uitzonderlijke situatie welke niet binnen de algemene voorbeelden valt, zal aansluiting worden gezocht bij deze algemene stedenbouwkundige uitgangspunten om het bepalen of een bijbehorend bouwwerk op de aangevraagde locatie stedenbouwkundig gezien gewenst is. Onder de 'overige regels' zijn bouwregels opgenomen met betrekking tot de maximale goot- en bouwhoogte van aan het hoofdgebouw gebouwde bijbehorende bouwwerken (aan- en uitbouwen en aangebouwde bijgebouwen) en vrijstaande bijbehorende bouwwerken. Voor aan het hoofdgebouw gebouwde bijbehorende bouwwerken geldt dat de diepte niet meer mag bedragen dan 3,5 m, gerekend vanaf de achtergevel van de woning. 3.2       Bijbehorende bouwwerken op voorerf Op de algemene regeling dat bijbehorende bouwwerken uitsluitend zijn toegestaan op minimaal 3 m achter de voorgevelrooilijn wordt een uitzondering gemaakt indien al bestaande bijbehorende bouwwerken aanwezig zijn op het voorerf. Voor het bouwen van deze bijbehorende bouwwerken op het voorerf gelden de volgende regels: de bouwhoogte mag niet meer bedragen dan de bouwhoogte van het bestaande bijbehorende bouwwerk op het voorerf; de bouwwerken mogen niet dichter op de perceelsgrens worden gebouwd dan bestaand. Daarnaast wordt ook een stedenbouwkundige afweging gemaakt, teneinde te beoordelen of er uit stedenbouwkundig oogpunt geen bezwaren bestaan tegen het bouwwerk. In algemene zin geldt ook voor deze bijbehorende bouwwerken de regeling met betrekking tot de maximale oppervlakte aan bebouwing op een perceel: de oppervlakte aan bijbehorende bouwwerken mag per bouwperceel niet meer bedragen dan 120 m², met dien verstande dat het bebouwingspercentage van het bouwperceel niet meer mag bedragen dan 50 %. Toelichting beleidsregel Op figuur 7 is weergegeven voor welk gebied aan de voorzijde van een woning het bouwen van een bijbehorend bouwwerk is toegestaan, indien uit stedenbouwkundig oogpunt geen bezwaren tegen het bijbehorend bouwwerk bestaan. 3.3       Carport / Overkapping Voor een carport / overkapping aan de zijgevel van de woning gelden de volgende voorwaarden: de carport / overkapping mag tot maximaal 2 m voor de voorgevel worden gebouwd; de afstand tot de naar de openbare weg gekeerde perceelsgrens dient minimaal 3 m te bedragen; de bouwhoogte mag niet meer bedragen dan 3 m; Daarnaast wordt ook een stedenbouwkundige afweging gemaakt, teneinde te beoordelen of er uit stedenbouwkundig oogpunt geen bezwaren bestaan tegen het bouwwerk. In algemene zin geldt ook voor carports de regeling met betrekking tot de maximale oppervlakte aan bebouwing op een perceel: de oppervlakte aan bijbehorende bouwwerken mag per bouwperceel niet meer bedragen dan 120 m², met dien verstande dat het bebouwingspercentage van het bouwperceel niet meer mag bedragen dan 50 %. Toelichting beleidsregel Een carport of overkapping is aan te merken als een 'bijbehorend bouwwerk' waardoor hierop de beleidsregels uit lid 3.1 van toepassing zijn. Het voorgaande houdt in dat deze op minimaal 3 m achter de voorgevel van de woning wordt gebouwd. In bepaalde gevallen kan echter, indien hiertegen uit stedenbouwkundige oogpunt geen bezwaren bestaan, ook naast de woning en voor de voorgevellijn van de woning een carport / overkapping worden toegestaan, bijvoorbeeld indien deze constructie al op meerdere locatie in het straatbeeld voorkomt. Dit lid is daarom bedoeld als een aanvullende regeling op het bepaalde in 3.1, welke van toepassing is op het gedeelte van de carport / overkapping gelegen in het gebied tussen 3 m achter de voorgevel en maximaal 2 m vóór de voorgevel (zie figuur 8). 3.4       Erker / Entree Voor erkers of entrees aan de voorgevel van de woning gelden de volgende voorwaarden: de breedte bedraagt maximaal 2/3 van de frontbreedte van het hoofdgebouw, met een maximum van 4 m; de diepte bedraagt maximaal 1/3 van de breedte van de erker met een maximum van 1,50 m; de diepte bedraagt maximaal 1/3 van de diepte van de grondstrook voor de voorgevelrooilijn; de goothoogte is maximaal gelijk aan de hoogte van de eerste verdiepingsvloer vermeerderd met 30 cm; tussen erker of entree en perceelsgrens of gezamenlijke hoek bedraagt de afstand minimaal 0,50 m, met dien verstande dat er geen minimale afstand geldt indien het 2 aaneengesloten erkers betreft; In algemene zin geldt ook voor erkers en entrees de regeling met betrekking tot de maximale oppervlakte aan bebouwing op een perceel: de oppervlakte aan bijbehorende bouwwerken mag per bouwperceel niet meer bedragen dan 120 m², met dien verstande dat het bebouwingspercentage van het bouwperceel niet meer mag bedragen dan 50 %.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel