Wettelijk kader
Voor verlening van een omgevingsvergunning waarbij met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, onder a, onder 2°, van de wet van het bestemmingsplan of de beheersverordening wordt afgeweken, komen in aanmerking:
lid 3:
een bouwwerk, geen gebouw zijnde, mits wordt voldaan aan de volgende eisen:
niet hoger dan 10 m, en
de oppervlakte niet meer dan 50 m²;
De categorie 'bouwwerken, geen gebouwen zijnde' ziet op een veelheid aan bouwwerken, waarvoor niet in algemene zin beleidsregels zijn op te stellen. Daarom is ervoor gekozen om enkel voor bepaalde bouwwerken, geen gebouwen zijnde, waar regelmatig aanvragen voor binnenkomen beleid op te stellen.
Voor bouwwerken, geen gebouwen zijnde, waarvoor geen beleidsregels zijn opgesteld zal per aanvraag worden beoordeeld of afwijken van het bestemmingsplan noodzakelijk en aanvaardbaar is. Hierbij zal onder meer naar de stedenbouwkundige aanvaardbaarheid van het initiatief gekeken worden.
Voor de onderstaande bouwwerken, geen gebouwen zijnde, zijn beleidsregels opgenomen:
5.1 Zwembaden
Voor zwembaden gelden de volgende voorwaarden:
zwembaden zijn alleen toegestaan op bouwpercelen van minimaal 400 m²;
per bouwperceel is maximaal één zwembad toegestaan;
zwembaden zijn gelegen achter de achtergevel van de woning;
de afstand ten opzichte van de zijdelingse perceelsgrenzen bedraagt aan één zijde minimaal 2 m en voor de overige zijden minimaal 5 m;
de oppervlakte van een zwembad bedraagt maximaal 25% van het deel van het bouwperceel dat achter de achtergevel van de woning is gelegen;
de hoogte van een zwembad bedraagt, inclusief bijbehorende voorzieningen als overkappingen, maximaal 1 m.
5.2 Speeltoestel of boomhut
Voor een speeltoestel of boomhut geldt de volgende voorwaarde:
de bouwhoogte mag niet meer bedragen dan 4 m.
5.3 Overbouwingen bij bedrijven op het bedrijventerrein Zoutman
Een overbouwing is volgens de begripsbepalingen van het bestemmingsplan ‘Bedrijventerrein Zoutman e.o.’ een bouwwerk, of een deel van een bouwwerk dat in overwegende mate geen of nagenoeg geen steun vindt op het maaiveld, met als doel de functie van het maaiveld door te zetten cg. met elkaar te verbinden.
Overbouwingen zijn binnen dit plangebied toegestaan onder de volgende voorwaarden:
de watergrens, de bestemmingsgrens en de gevel van het bedrijfspand liggen op dezelfde lijn;
de breedte van de overbouwing mag maximaal 80 cm breed zijn, over de gehele lengte van de gevel van de bedrijfspanden;
opslag of bebouwing op een dergelijke overbouwing is niet toegestaan;
overbouwingen tegenover woningen zijn niet toegestaan;
de doorvaart mag niet worden gehinderd.
Vaarweg:
bij bouwen boven, over, langs of aan watergangen met de aanduiding ‘vaarwater’ dient de vrije doorvaartbreedte minimaal 3 meter te bedragen.
Hoofdstuk 2
Artikel 5
Bouwwerk, geen gebouw zijnde
Onderdeel van Beleidsregels planologische afwijkingsmogelijkheden o.g.v. artikel 4 bijlage 2 BOR