Het college stelt vast of de ouder of diens partner een persoon is:
met een lichamelijke, zintuiglijke, verstandelijke of psychische beperking en in welke mate om die reden, kinderopvang noodzakelijk is, of;
die een kind heeft waarvoor en in welke mate kinderopvang in het belang van een goede en gezonde ontwikkeling van dat kind noodzakelijk is.
Het college stelt de noodzakelijkheid van kinderopvang als bedoeld in lid 1 van dit artikel vast middels een sociaal medisch advies in bij een door het college aangewezen onafhankelijk sociaal medisch adviseur als bedoeld in artikel 4.
Van het opvragen van sociaal medisch advies als bedoeld in lid 2 van dit artikel wordt afgezien, indien naar het oordeel van het college op basis van schriftelijk advies van een onafhankelijke deskundige als bedoeld in artikel 4 van dit artikel in voldoende mate is aangetoond dat sprake is van ernstige sociaal-medische problematiek die kinderopvang noodzakelijk maakt.
Indien er sprake is van een voorliggende voorziening, ziet het college af van de vaststelling van de noodzaak van kinderopvang op grond van sociaal-medische indicatie.
Tot een voorliggende voorziening als bedoeld in artikel 4 van dit artikel wordt in ieder geval gerekend een voorziening op grond van
de Wet Kinderopvang en kwaliteitseisen peuterspeelzalen;
de Algemene wet bijzondere ziektekosten;
jeugdzorg;
persoonsgebonden budget;
medisch kinderdagverblijf;
een bijdrage van de werkgever.
een adequate (opvang)voorzieningen in niet-professionele zin (eigen netwerk, eigen kracht initiatieven, zorgverlof, etc.)
Het college kan periodiek een herindicatie verrichten van personen als bedoeld in lid 1 van dit artikel.
De herindicatie vindt plaats overeenkomstig de bepalingen van lid 2 en lid 3 van dit artikel.
Artikel 4.
Vaststelling van de sociaal medische indicatie
Onderdeel van Beleidsregels tegemoetkoming in de kosten van kinderopvang op grond van sociaal medische indicatie 2012