Bijzondere vergunningsvoorschriften
Tot de aan de vergunning te verbinden voorschriften kan
behoren het voorschrift dat binnen een bepaalde termijn en
overeenkomstig de door het bevoegd gezag te geven
aanwijzingen moet worden herplant.
Wordt een voorschrift als bedoeld in het eerste lid gegeven,
dan kan daarbij tevens worden bepaald binnen welke termijn
na de herbeplanting en op welke wijze niet-geslaagde
beplanting moet worden vervangen.
Tot de aan de vergunning te verbinden voorschriften kan
behoren het voorschrift dat de vergunning een
geldigheidsduur heeft van één jaar na het onherroepelijk
worden van de vergunning.
Tot aan de vergunning te verbinden voorschriften kan behoren
het voorschrift dat van de vergunning feitelijk geen gebruik
mag worden gemaakt totdat op een met de vergunning voor het
vellen van een houtopstand samenhangende aanvraag voor een
vergunning of ontheffing voor activiteiten genoemd in
artikel 2.1 of 2.2 van de Wet algemene bepalingen
omgevingsrecht, positief is beslist.
HOOFDSTUK 4 › AFDELING 3
Artikel 4.10F
Artikel 4.10F
Onderdeel van Algemene plaatselijke verordening Smallingerland 2013