Bestrijding (iep)ziekte
Indien zich op een terrein een of meer iepen bevinden die
naar het oordeel van het college gevaar opleveren voor
verspreiding van de iepziekte of voor vermeerdering van
iepenspintkevers, is de rechthebbende, indien hij daartoe
door het college is aangeschreven, verplicht binnen de bij
de aanschrijving vast te stellen termijn:
indien de iepen in de grond staan, deze te vellen;
de iepen te ontschorsen en de schors te vernietigen;
of de niet-ontschorste iepen of delen daarvan te vernietigen
of zodanig te behandelen dat verspreiding van de iepziekte
wordt voorkomen.
Het is verboden gevelde iepen of delen daarvan, met
uitzondering van geheel ontschorst iepenhout en iepenhout
met een doorsnede kleiner dan 4 cm, voorhanden of in
voorraad te hebben of te vervoeren. Het college kan
ontheffing verlenen van dit verbod.
Onverminderd het in de leden 1 en 2 van dit artikel
bepaalde, het bepaalde bij of krachtens de Plantenziektenwet
en het bepaalde in artikel 4.10G kan aan degene die
krachtens zakelijk of persoonlijk recht of krachtens
publiekrechtelijke bevoegdheid gerechtigd is te beschikken
over een houtopstand, en welke houtopstand door het college
is aangewezen als ziek en naar hun oordeel gevaar oplevert
voor de verspreiding van die ziekte, door het college de
verplichting worden opgelegd die houtopstand te vellen of op
een andere door het college te bepalen wijze te behandelen,
een en ander overeenkomstig de door hen te geven
aanwijzingen en binnen een door hen te bepalen termijn.
HOOFDSTUK 4 › AFDELING 3
Artikel 4.10H
Artikel 4.10H
Onderdeel van Algemene plaatselijke verordening Smallingerland 2013