Aanleggen
Het is verboden met een vaartuig langer dan gedurende ten
hoogste drie dagen achtereenvolgende dagen of gedeelten
daarvan aan dezelfde plaats aan te leggen.
Een vaartuig wordt geacht gedurende drie achtereenvolgende
dagen of gedeelten daarvan op dezelfde plaats te hebben
gelegen, indien dat vaartuig op die plaats wordt
aangetroffen op enig tijdstip van de eerste van de drie
dagen en op enig tijdstip van de eerste dag na die drie
dagen.
Het vaartuig wordt geacht op dezelfde plaats te zijn
gebleven indien het vaartuig binnen een straal van 500 meter
gerekend vanaf de in lid 1 bedoelde aanlegplaats wordt
aangetroffen.
Het is de rechthebbende op een vaartuig verboden, met enig
vaartuig binnen vijf dagen nadat het is verplaatst op de in
lid 1 bedoelde plaats opnieuw aan te leggen.
Het college kan van het verbod in het eerste lid ontheffing
verlenen.
HOOFDSTUK 5 › AFDELING 6
Artikel 5:25A
Artikel 5:25A
Onderdeel van Algemene plaatselijke verordening Smallingerland 2013