Naar hoofdinhoud

Hoofdstuk

Artikel 5

Jongerentoeslag

Onderdeel van Beleidsregels Bijzondere Bijstand Breda 2013

1.. Bijzondere bijstand voor algemeen noodzakelijke bestaanskosten van zelfstandig wonende jongeren van 18 tot 21 jaar wordt verleend als en voor zover: de noodzakelijke kosten van bestaan uitgaan boven de geldende bijstandsnorm en in de hogere bestaanskosten niet kan worden voorzien door het delen van deze kosten met (een) ander(en); voor de kosten geen beroep kan warden gedaan op de ouders, omdat: de middelen van de ouders daartoe niet toereikend zijn; of de jongere redelijkerwijs zijn onderhoudsrecht jegens zijn ouders niet te gelde kan maken. 2.. De jongere bedoeld in het eerste lid wordt in ieder geval geacht zijn onderhoudsrecht jegens zijn ouders redelijkerwijs niet te gelde te kunnen maken als: de ouder(s) is/zijn overleden of in het buitenland woont /wonen; de jongere in het kader van de Wet op de jeugdhulpverlening buiten het gezin is geplaatst; de jongere op de ingangsdatum van de bijstandverlening 12 maanden of langer zelfstandig woont; er sprake is van een acute crisissituatie, waarin door de minderjarige zelf geen verandering kan worden gebracht. Hiertoe dient een indicatie te worden gegeven door een hulpverlenende instantie. 3.. De noodzakelijke kosten van het bestaan van de zelfstandig wonende alleenstaande jongere van 18 tot 21 jaar, zoals bedoeld in het eerste lid, warden gesteld op de basisnorm van de WWB. De bijzondere bijstand wordt vastgesteld op het verschil tussen het hier van toepassing zijnde bedrag en de bijstandsnorm. 4.. De noodzakelijke kosten van het bestaan van de jongere zelfstandig wonende alleenstaande ouder van 18 tot 21 jaar, zoals bedoeld in het eerste lid, worden gelijk gesteld aan die van de alleenstaande ouder van 21 jaar en ouder. De bijzondere bijstand wordt vastgesteld op het verschil tussen de hier van toepassing zijnde bedragen en de bijstandsnorm.

Rechtspraak bij dit artikel