De belasting bedoeld in artikel 2, onderdeel a moet overeenkomstig
de aangifte worden betaald bij aanvang van het parkeren;
In afwijking van het bepaalde in:
artikel 6 lid 1a. moet de belasting overeenkomstig de
aangifte worden betaald binnen een maand na het einde van
het parkeren, indien het bij de aanvang van het parkeren in
werking stellen van de parkeerapparatuur geschiedt door het
via de telefoon inloggen op de centrale computer;
artikel 6 lid 1b. moet de belasting overeenkomstig de
aangifte worden betaald achteraf bij het beëindigen van het
parkeren, indien het bij de aanvang van het parkeren in
werking stellen van de parkeerapparatuur geschiedt door het
uitnemen van een parkeerbiljet op een parkeerterrein of in
een garage waar is aangegeven dat achteraf betaald moet
worden.
De belasting bedoeld in artikel 2, onderdeel b moet overeenkomstig
de aangifte worden betaald voorafgaand aan de verstrekking van de
vergunning.
Een naheffingsaanslag moet terstond worden betaald.
Artikel 7.
Termijnen van betalen
Onderdeel van Verordening op de heffing en invordering van parkeerbelastingen 2009