Naar hoofdinhoud

Artikel 7.

Termijnen van betalen

Onderdeel van Verordening op de heffing en invordering van parkeerbelastingen 2009

De belasting bedoeld in artikel 2, onderdeel a moet overeenkomstig de aangifte worden betaald bij aanvang van het parkeren; In afwijking van het bepaalde in: artikel 6 lid 1a. moet de belasting overeenkomstig de aangifte worden betaald binnen een maand na het einde van het parkeren, indien het bij de aanvang van het parkeren in werking stellen van de parkeerapparatuur geschiedt door het via de telefoon inloggen op de centrale computer; artikel 6 lid 1b. moet de belasting overeenkomstig de aangifte worden betaald achteraf bij het beëindigen van het parkeren, indien het bij de aanvang van het parkeren in werking stellen van de parkeerapparatuur geschiedt door het uitnemen van een parkeerbiljet op een parkeerterrein of in een garage waar is aangegeven dat achteraf betaald moet worden. De belasting bedoeld in artikel 2, onderdeel b moet overeenkomstig de aangifte worden betaald voorafgaand aan de verstrekking van de vergunning. Een naheffingsaanslag moet terstond worden betaald.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel