Naar hoofdinhoud
1.. De begroting van het lichaam wordt uiterlijk 1 juli voorafgaande aan het jaar waarvoor deze geldt door het algemeen bestuur vastgesteld. 2.. Het dagelijks bestuur zendt de ontwerp-begroting zes weken voordat zij aan het algemeen bestuur wordt aangeboden, toe aan de raden van de deelnemende gemeenten en aan provinciale staten. 3.. De ontwerp-begroting wordt door de zorg van de deelnemers voor een ieder ter inzage gelegd en, tegen betaling van de kosten, algemeen verkrijgbaar gesteld. Artikel 190, tweede en derde lid, van de Gemeentewet is van overeenkomstige toepassing. 4.. De raad van een deelnemende gemeente en provinciale staten kunnen omtrent de ontwerp-begroting het dagelijks bestuur van hun gevoelen doen blijken. Het dagelijks bestuur voegt de commentaren waarin dit gevoelen is vervat bij de ontwerp-begroting, zoals deze aan het algemeen bestuur wordt aangeboden. 5.. Nadat deze is vastgesteld, zendt het algemeen bestuur de begroting aan de raden der deelnemende gemeenten en aan provinciale staten, die de minister van Binnenlandse Zaken ter zake van hun gevoelen kunnen doen blijken. Indien de begroting ongewijzigd wordt vastgesteld, kan worden volstaan met mededeling hiervan. Het algemeen bestuur zendt vervolgens de begroting ter kennisneming of, indien de minister dat ingevolge artikel 207 van de Provinciewet heeft bepaald, ter goedkeuring aan de minister van Binnenlandse Zaken. 6.. Het bepaalde in het tweede, vierde en vijfde lid is mede van toepassing op besluiten tot wijziging van de begroting, met uitzondering van overschrijvingen vanuit de post "Onvoorziene uitgaven".

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel